Arfak lori.
(Oreopsittacus arfaki).
Duits: Arfakbergzierlori.
Engels: Whiskered lorikeet.
Frans: Loriquet Arfak.
Herkomst: bergen van Vogelkop op Nieuw Guinea.
Totale lengte: 15 cm.
Ringmaat: 4mm.
Gewicht: 22-28 gram.
Broedduur 21/22 dagen.
Jongen uit nest na 40/45 dagen.
Foto's en tekst: © Iggino van Bael.
Jong 1 maand oud.
Jong 6 weken oud.
Deze soort kent nog 2 ondersoorten nl. de Oreopsittacus a. major en de Oreopsittacus a. grandis, welke laatste men kan herkennen aan de geheel groene onderbuik en onderste deel van de flanken.. Ze leven hoog in de bergen op Nieuw-Guinea, de nominaatvorm leeft  op de Vogelkop van Irian Jaya en de major leeft alleen in de sneeuwbergen, de grandis leeft meer oostwaarts in de bergen van Papoea Nieuw-Guinea.  Volgens mij word enkel nog de oreopsittacus arfaki major in gevangenschap gehouden. De arfak lori is de kleinste lori in gevangenschap, het zijn zeer kleine 15 cm grote vogeltjes  met  een gewicht van een 20-23 gr. Als je deze zou vergelijken met een roodflanklori welke meer bekent is,  is het verschil heel groot vooral in de omtrek van de vogels. Wat het geluid betreft is dit de minst luidruchtige vogel die ik ken, ik bedoel, ze zijn constant tegen elkaar bezig met een heel zacht gekwetter. Maar het is wel een heel actieve vogel, die constant in beweging is. Ook eten deze maar 1/3 van het voer in vergelijking met een roodflankje. Met andere woorden bijna niets. Als voeding verschillen ze wat met de andere lories, deze soort heeft een meer kolibrie voeding nodig dan een lori voeding, m.a.w. meer glucose (dextrose). Ik voer ze de nectar van Jos Hubers samen met het droogvoer (als extra's niet als hoofdvoeding), honingwater, fruit o.a., appel, peer, druiven. En vogelmuur moet gegeven worden, als dit niet gegeven word dan worden de veren zwart.Ook het voer van necton is heel geschikt voor deze soort, namelijk nectar +, en van aves nectarkol. Als huisvesting kan men deze vogeltjes in ruime kweekkooien houden maar deze soort kan ook in een volière in kolonie gehouden worden.










Let wel op dat ze verwarmd gehouden moeten worden zo rond de 20 °C.  Arfaklori's moeten net zoals  andere kleinere lorisoorten lang daglicht hebben, bij mij hebben ze 15 uur licht per dag. Dit omdat de kleine soorten een snellere stofwisseling en dus regelmatig moeten eten. Als broedblok word een horizontale broedblok gegeven, liefst een kleine van een 10cm diep en 15 cm lang met een invlieggat van een 4 cm. Als nestmatriaal gebruik ik hetzelfde als bij de andere lories, nl houtschaafsel dat voor knaagdieren word gebruikt. De vogels zijn kweekrijp op  een leeftijd van 7 maanden maar het beste is te wachten dat ze een jaar oud zijn. Een legsel bestaat uit 2 witte eitjes maar dit kan soms ook 1 of 3 eitjes zijn. Zowel de man als de pop broeden op de eitjes. Na een broedduur van een 21-22 dagen komen de jongen uit. De jonge hebben dan grijswitte dons die heel lang is 1 tot 1,5 cm. Na een 10-12 dagen worden de jongen geringd met een ring van 4,0 mm. Na een 40-45 dagen vliegen ze uit. De arfakjes doen meerdere legsels per jaar, ze zijn niet seizoensgebonden waarschijnlijk omdat ze binnen gekweekt worden. Jonge poppen hebben ook oranje rood op hun voorhoofd bij een man is dit rood en het witte streepje aan de zijkant van de kop zou doffer zijn dan een man, zelf heb ik nog maar alleen mannen gekweekt dus dit heb ik van goede bron vernomen (Jos Hubers). De jongen zijn doffer dan de ouders.Na een 4-5 maanden beginnen ze op kleur te komen. Gezien de zeldzaamheid van deze vogels en de moeilijkheid i.v.m de voeding lijken mij deze prachtige vogeltjes niet zo geschikt voor beginnende liefhebbers.
 
Man.
Pop.
Uiterlijk: Kroon en voorhoofd van de man scharlakenrood en de teugel en de wangen mauve, de pop mist dit rood geheel. Lichaamskleur donkergroen. Van bovensnavel tot voorbij het oog loopt bij beiden een witte streep schuin omhoog. De onderbuik is matrood, evenals de onderste delen van de flanken. De ondervleugeldekveren en de zijkanten van de borst zijn helderder rood. Er loopt een gele band over de onderkant van de kleine slagpennen. Een opmerkelijk verschil met alle andere kromsnavels is de staart, deze heeft 14 veren terwijl de anderen allemaal maar 12 hebben. De staart heeft een prachtige tekening nl. aan de bovenkant groen met scharlakenrode uiteinden, de onderkant is roserood met donkergrijze dwarsbanden aan de basis. De snavel is zwart met een opvallende lange gebogen bovensnavel, de poten zijn donkergrijs.
Terug naar soorten.
Meer info.