Dwerglori.
(Glossopsitta pusilla).
Duits: Zwergmoschus lori.
Engels: Little lorikeet.
Frans: Loriquet nain.
Herkomst: Zuidoost Australiè.
Totale lengte: 15 cm.
Ringmaat: 4/4,5 mm.
Gewicht: 35 tot 55 gram.
Broedduur 20/22 dagen.
Jongen uit nest na 45/50 dagen.
Uiterlijk: Lichaamskleur overwegend groen, voorhoofd teugels en keel helderrood.
De rug is bruinachtig groen, en de buik geelgroen, onderkant van de vleugels is groen, de oorstreek grasgroen met lichte geelgroene streeptekening. Bij oudere vogels is soms geslachtsonderscheid waarneembaar doordat de mannetjes iets feller van kleur zijn dan de vrouwtjes. Snavel zwart en de poten grijs.

De dwerglori is de kleinste van de Australische lories. Ze leven meestal in grote groepen waaruit tevens is op te maken dat ze in het wild nog veelvuldig voorkomen. De dwerglori is in Australië een van de meest gehouden lories in gevangenschap en wordt daar dan ook in behoorlijke aantallen gekweekt. Buiten Australië is deze soort nauwelijks bekend dit natuurlijk door het uitvoerverbod wat al jaren geld voor dit land. Het is wel een van de gemakkelijkst te houden soorten en ze vragen weinig extra verzorging ten opzichte van de andere lori- soorten. Het legsel van de dwerglori bestaat in tegenstelling tot de meeste lories, die meestal maar twee eieren leggen, uit 3 tot 5 eieren, ze zijn op een leeftijd van 1 jaar broedrijp.
© Serena Bowles.
© Chris Chafer.
Terug naar soorten.