Witruglori.
(Pseudeos fuscata).
Duits: Weissburzel Lori.
Engels: Dusky Lory.
Frans: Lori à dos blac
Herkomst: Nieuw-Guinea,
Salawati,Papua eilanden en Japen eiland.
Totale lengte: plm. 26 cm.
Ringmaat: 6,5 mm.
Gewicht: plm.140/180 gram.
Broedduur 24 dagen.
Jongen uit nest na 70 dagen.
Rode variëteit.
Uiterlijk: Lichaamskleur, hoofdzakelijk bruinzwart, over de borst lopen twee fel oranjerode banden van plm. 2 cm. Breed, buik oranjerood, de bruinzwarte borstveren zijn grijs gezoomd, de schedel is goudkleurig, de stuit vuilwit, de snavel is oranjerood en de kin is onbevederd en oranje van kleur.

De witruglori wordt in ons land meestal onder de engelse benaming Dusky lori aangeboden.
Wat betreft de rode kleur, deze kan variëren van diep rood tot helder geel.
Vroegen werd de gele variëteit nog wel eens als een aparte ondersoort aangeduid onder de naam Pseudeos fuscata incondita, maar hier is men later op terug gekomen en worden de diverse kleurvariëteiten als een en dezelfde soort beschouwd. Door sommige  auteurs werden de gele vogels ook wel als jonge niet op kleur zijnde vogels beschreven die bij het ouder worden rood zouden kleuren, maar dit is dus beslist onjuist. Zelf heb ik diverse keren jonge witruglories gekweekt en de jongen hadden bij het uitvliegen bijna dezelfde kleur als de ouders, zij het dat ze nog niet zo helder van kleur waren. Geslachtsonderscheid is ook bij deze soort zeer moeilijk, aangezien beide geslachten gelijk van kleur zijn. Een van mijn eigen kweekkoppels witruggen toonde echter wel een klein uiterlijk kleurverschil, bij de man waren de n.l. de bovenste staartpennen roodbruin van kleur en bij de pop waren ze donkerblauw. Maar of dit bij alle vogels van deze soort zo is kan ik niet zeggen, misschien was dit bij mijn vogel wel een toevalligheid. De witruglories zijn over het algemeen vrij gemakkelijke te kweken vogels al lukt het natuurlijk niet altijd bij iedere kweker. Ze hebben een broedkast nodig van plm. 25 × 25 × 40 cm. Met een invlieggat van 7 cm. doorsnee. De broedtijd bedraagt 24 dagen en de jongen groeien in vergelijking met andere loriesoorten vrij langzaam en ze vliegen pas uit op een leeftijd van 10 tot 12 weken. Ze werden pas op een leeftijd van 3 a 4 weken geringd met ringen van 7 mm. De jonge vogels worden na het uitvliegen nog geruime tijd door de ouders gevoerd, ook al eten ze zelf al dan blijven ze nog bij de ouders bedelen om voedsel. Het duurt ongeveer zeven maanden voor de jongen volledig op kleur zijn en dan zijn nauwelijks meer te onderscheiden van de oude vogels.
© F. Beswerda.
© F. Beswerda.
Gele variëteit.
© F. Beswerda.
© Earl Radius.
© Iggino van Bael.
© Iggino van Bael.
Terug naar soorten.