Australische lories

Australische lories: dwerg, muskus en purperkroonlori

De Australische lori’s kunnen we rangschikken in drie formaten: de grotere zoals de Lori van de Blauwe Bergen en de roodneklori, de middelgroten zoals de muskuslori , de schubbenlori en de kleine: dwerglori de bonte lori en de purperkroonlori. Van de Glossopsitta’s is de muskuslori de enige die buiten Australië in avicultuur gehouden wordt. In hun natuurlijke leefgebied, in het oosten en zuid-oosten van Australië, is deze lori  regelmatig in kleine aantallen te zien, vaak in gezelschap van Lori’s van de Blauwe Bergen. In de Australische avicultuur is de belangstelling voor deze soort de laatste jaren, mede door de beschikbare mutatie-vormen, enorm toegenomen. De olijfkleurige mutatie is tot stand gekomen door kruisingen met de olijfkleurige schubbenlori.

Voordat Australië in 1959 de grenzen voor export van haar inheemse flora en fauna dicht deed, werden er vele muskuslori’s naar Europese landen verscheept. Daar bleek echter  weinig interesse te zijn . In die tijd werden slechts enkele kweekresultaten behaald en de soort dreigde snel verloren te gaan in avicultuur. In de jaren 80 waren de meeste in Europa aanwezige exemplaren afstammelingen van de in de Rotterdamse dierentuin gekweekte vogels. Toen in 1990 Nieuw Zeeland de export van niet inheemse vogels toeliet, bereikten weer enkele exemplaren de Europese liefhebbers. Op dit moment zijn ze redelijk goed vertegenwoordigd.

Muskuslori’s zijn kleine, lieve vogels van ongeveer 22 cm en wegen niet meer dan 70 gram. De mannetjes zijn doorgaans iets blauwer op de kruin maar zekerheid heeft men pas na geslachtsbepaling, bij voorkeur doormiddel van DNA. Jonge vogels lijken sterk op de ouders. Tot een leeftijd van ongeveer drie maand kunnen ze nog onderscheiden worden door een valer gekleurd verenkleed, vooral op de kop. Het voorhoofd en de oorveren zijn meer steenrood. De snavel en de iris zijn donker en de huid rond het oog is bleek grijs. In Australië worden ze vaak in grote gezelschapvolière’s samen gehouden met vinken en duiven. Deze methodiek is echter niet altijd succesvol doordat sommige paren toch enige agressie kunnen vertonen tegenover medebewoners. In Europa worden ze meestal als afzonderlijke paren gehouden, waardoor ze mogelijk meer productief zijn.

Een legsel bevat doorgaans 2 eitjes. De broedtijd neemt een periode van 22 dagen in beslag, maar er zijn gevallen bekend van een super korte broedtijd van 19 dagen. Op de dag van uitkomen zijn de jongen spaarzaam bedekt met lang wit dons. Het tweede donskleed is ligt grijs van kleur en dichter als het eerste. De jongen verblijven zo’n 7 weken in het nest alvorens het te verlaten.

Deze actieve en snelvliegende vogels verdienen het om een volière te krijgen van tenminste 4 meter. Omdat het relatief kleine vogels zijn, is de tendens vaak om ze in een kleine kooi te houden. Onder dergelijke omstandigheden kunnen ze gemakkelijk een overgewicht ontwikkelen.

Om hun ware schoonheid goed te zien zou men ze in het wild moeten observeren als ze rond klauteren in een bloeiende eucalyptus en zich daar snel tegoed doen aan de nectar en pollen. Dit soort voer vormt hun natuurlijke dieet samen met enkele kleine insecten.  Een boom waaraan ze zich aangetrokken voelen, zoals de rood bloeiende gumtree (eucalyptus-soort), zal vele lori’s aantrekken. Ik heb muskuslori’s, dwerglori’s en purperkroon lori’s in één en dezelfde boom gezien, die zich te goed deden aan nectar en pollen. Een schouwspel dat zo fascinerend voor mij was dat ik na 2 uur kijken met tegenzin de plek verliet. Dit alles gebeurde in Melbourne. De muskuslori’s waren in de minderheid en de dwerglori’s waren te agressief waarbij ze de purperkronen achterna zaten.

De dwerg en purperkroonlori’s zijn kleine en tengere vogeltjes. Alle twee de soorten zijn buiten Australië en Nieuw-Zeeland onbekend in avicultuur. De purperkroon lori’s een erg mooie vogel met een kleine snavel een geel-oranje voorhoofd en oorpartij. Bij jonge vogels ontbreekt de purperen kruin of ze hebben een vaal gekleurde kruin. Ook de kleur van het voorhoofd is minder intensief. Met een afmeting van 16 cm en een gewicht van slechts 45 gram en een gestroomlijnde lichaamsbouw is zij in staat met een hoge snelheid te vliegen. Hetzelfde geld voor de dwerglori, die eenzelfde lengte en gewicht hebben. Jonge vogels van deze soort zijn eveneens minder intensief van kleur en het masker is meer oranje dan rood.

De dwerglori komt voor in het kustgebied aan de oostkant van Australië. De purperkroon lori bewoont de kustgebieden in het zuiden tot in Perth in west Australië. Beide gebieden overlappen elkaar in de staat Victoria.

Aangezien deze twee soorten lori’s doorgaans niet agressief zijn en niet vernielzuchtig, worden ze in Australië vaak in grote beplante volière’s gehouden tezamen met vinken en andere kleine vogels. In zo’n volière horen ze thuis, en het is prachtig om ze in het groen te zien. In een kale onbeplante volière lijken ze misplaatst. Om deze reden ben ik eigenlijk blij dat ze in Europa niet verkrijgbaar zijn. Ze zouden hier in een kale ruimte worden ondergebracht en dat zal het welzijn van de vogels niet ten goede komen. Ze zijn veel actiever  dan grotere lori’s en hebben derhalve veel vliegruimte nodig. Vele Australische vogelhouders zijn tot de conclusie gekomen dat de dwerglori’s veel sneller tot broeden komen als ze in een beplante volière zijn ondergebracht. Dit verbaast mij geenszins aangezien het vogels zijn die, in tegenstelling tot de andere twee soorten, de voorkeur geven aan dichte bebossing.

Dwerg lori’s en purperkroon lori’s behoren tot de soorten die een groter legsel produceren dan de overige lori’s. Een legsel van genoemde soorten kan drie tot vijf eitjes omvatten. De gemiddelde broedtijd bedraagt ongeveer 21 dagen. Sommige eitjes komen na 23 dagen broeden uit, anderen hebben er 25 dagen voor nodig. Bij de dwerg lori’s is het bekend dat eitjes al na 19 dagen uit kwamen. Hieruit blijkt dat het broeden direct bij het leggen van het eerste ei moet zijn begonnen. Normaal gesproken wordt pas begonnen met broeden nadat het tweede ei is gelegd. Pas uitgekomen jongen hebben spaarzaam lang wit dons en wegen slechts 2 gram. Na 44 dagen door de ouders te zijn verzorgd, verlaten ze het nest.

Purperkroonlori’s kunnen met veel succes in kolonievorm worden gehouden en gekweekt. Dit houdt wel in dat er enkel en alleen purperkronen in de volière gehouden kunnen worden en geen andere vogels. Ik kan me nog een volière herinneren in west Australië met daarin maar liefst 55 purperkroonlori’s. De meeste vogels waren in deze volière geboren. Het succes van een kolonie hangt samen met het feit dat er nooit vreemde vogels in worden geplaatst. De overheersende mannetjes hebben trio’s gevormd. Dit is alleen mogelijk bij een niet agressieve soort. Bij andere lori’s zou dit tot gevechten komen waarbij dodelijke verwondingen niet uitgesloten mogen worden.

Het voedsel voor deze twee kleine lori-soorten moet een afgepaste samenstelling hebben en in al hun behoeftes voldoen. Vanwege hun  snelle stofwisseling moet er altijd voer beschikbaar zijn. Als ze ook maar even niet beschikken over voer, dan geven ze al snel de indruk ziek te zijn. De nodige nectar wordt in Australië meestal aangeboden op droge cake of biscuit, en fruit zoals appel wordt gewoonlijk op een spijker gestoken. Als er jongen te verzorgen zijn nemen de vogels ook levend voer zoals meelwormen op. Ook eten muskuslori’s  krekels en zijn ze verzot op diverse soorten groenvoer. Muskuslori’s eten zelfs enkele zaden, waaronder trosgierst. Zonnebloempitten kunnen dagelijks gegeven worden als ze zijn voorgeweekt of iets gekiemd zijn. De vogels kunnen snel te vet worden als er teveel gegeven wordt.

Persoonlijk ben ik erg blij dat zich bij de dwerglori nog geen mutatie’s hebben aangekondigd en gez ien de moeilijkheid om ze te kruisen  en zo een mutatie te krijgen, lijkt het mij dat dit ook niet snel zal gebeuren. Ik kan mij geen mooiere kleur voorstellen dan de wildkleur. Bij de purperkroon lori heeft men een uit het wild afkomstige cinnamon weten te vererven. De groene veerpartijen hebben bij deze mutatie plaats gemaakt voor vaal geel en bij sommige exemplaren zelfs helder gele kleuren. Het was verrassend toen ik in 1994 in Nhill (Victoria), in een zwerm wilde normaal gekleurde vogels, een cinnamon zag vliegen.

Terug naar artikelen