Bernstein lori.

Een rariteit van Misool, de Bernsteinlori, Chalcopsitta atra bernsteini.


Beschrijving
Tot de grootste soorten lori’s behoort het geslacht Chalcopsitta. Van dit geslacht is de zwarte lori, Chalcopsitta a.atra er één van. De Bernsteinlori is een intermediaire (tussenliggende) vorm van de zwarte lori C. a.atra, en de Rajahlori, C. a.insignis. De Bernsteinlori is gemiddeld de grootste van de “zwarte lori’s”. Ze bereiken een lengte van ongeveer 32 cm en het gewicht ligt tussen de 200 en 250 gram.  

De gehele vogel heeft zwart als basiskleur dat echter bij de juiste lichtinval een mooie purperen gloed geeft. De Rajahlori heeft in vergelijking een intensievere gloed. De onderrug is dofblauwgekleurd. Zoals op de foto te zien is hebben de vleugelpennen aan de binnenzijde rode markeringen. Dit is niet bij alle vogels even duidelijk het geval. De binnenzijde van de dijen zijn bordeauxrood gekleurd. De intensiviteit van het rood in het algemeen kan bij sommige vogels minder zijn dan bij de afgebeelde vogel het geval is.
Jonge vogels zijn bijna geheel gelijk aan jonge zwarte lori’s, de oogring en de naakte huid rondom de ondersnavel is nog wit gekleurd. Dit kleurt na een aantal maanden onder invloed van U.V. licht van wit naar bijna zwart. Indien ze binnen worden gehouden dan blijft het doorgaans wit. Op de vleugelboeg en de onderzijde van de vleugelpennen is wat matrood aanwezig.

Verspreiding en biotoop
De Bernsteinlori komt alleen voor op het eiland Misool, dat ten westen van Irian Jaya ligt.
Ze leven in open gebieden, inclusief plantages, savannen en bosranden. In 1986 werden ze door Bishop algemeen waargenomen in mangrovebossen en andere type bossen langs de kust.

De status in avicultuur
De Bernsteinlori is in avicultuur altijd een zeldzame verschijning geweest. Waarschijnlijk is deze ondersoort al eens geïmporteerd geweest en met de nominaatvorm gekruist zonder dat het opgevallen is.

Einde 1989 zijn er op diverse plaatsen tezamen met Rajahlori’s exemplaren ingevoerd. Deze Bernsteinlori’s zijn verspreid terechtgekomen en hebben o.a. voor bastaardnakomelingen met de Rajahlori gezorgd. Bij mij zijn op het ogenblik 7 (waarvan 5 mannelijke) exemplaren bekend.
Hierbij doe ik tevens een oproep aan ieder die in het bezit is van enkele exemplaren of paren met de redactie van het Lori Journaal contact op te nemen. Gezien het zeer geringe aantal is het zonder samenwerking onmogelijk om een levensvatbare gezonde populatie op te bouwen.      

Kweekresultaat met de Bernsteinlori
Medio 1989 kocht ik bij een importeur een vogel die als Rajahlori te koop werd aangeboden. Thuisgekomen heb ik de vogel beter bestudeerd en kwam tot de conclusie dat het een Bernsteinlori moest zijn.
In die tijd zijn er ook onbewust paren bestaande uit een Bernsteinlori en een Rajahlori samengesteld. Uit één van die paren zijn er bastaarden gekweekt. Dit was gelukkig alleen voor een korte tijd het geval.

In 1993 kocht ik twee jonge Rajahlori’s die gekweekt waren door een kweekstation op Mallorca. Dit station staat onder supervisie van het vogelpark Walsrode. Één van deze vogels is korte tijd later overleden. Op het moment van aankoop waren er nog geen kenmerken van een Rajahlori aanwezig. In 1995 zag de vogel er nog steeds uit als een normale zwarte lori. Ik heb de vogel toen uitgevangen en eens nader bekeken. Het bleek dat deze vogel ook de rode vlekjes onder de vleugel had zoals bij het mannetje dat op de middenplaat is afgebeeld. Ook bij de snavel en binnen kant van de dijveren waren dofrode veren aanwezig. In de volière was dit praktisch niet te zien. Het meeste leek de vogel op een Bernsteinlori, waarbij mogelijk in de voorouders ooit een zwarte lori ingekruist was. Bij navraag bleken de oudervogels op Mallorca verkocht te zijn. Waar ze nu zijn was helaas niet meer na te trekken.
Opvallend is dat het vrouwtje aanzienlijk kleiner is dan mijn mannetje.
Na het bestuderen van het vrouwtje besloot ik deze aan het mannetje te koppelen omdat ik op dat ogenblik geen ander vrouwtje wist te vinden en deze vogel het uiterlijk van een Bernsteinlori zeer dicht benaderde.
De vogels konden het goed met elkaar vinden en werden geplaatst in een 3 meter lange, 1 meter brede en 2 meter hoge buitenvolière met een aangrenzend kleine binnenruimte. Meestal zijn de vogels buiten te vinden. Een gedeelte van de buitenvolière is overdekt zodat ze ook met regen, wanneer ze dat willen, buiten kunnen verblijven.
De verticale nestkast is binnen opgehangen en is 40 cm. hoog en heeft een bodemoppervlak van 25 bij 25 cm. Het invlieggat heeft een doorsnede van 8 cm. Als bodembedekking fungeert een ongeveer 8 cm. dikke laag houtkrullen.

Bernsteinlori’s zijn sterke vogels maar desondanks is de binnenvolière het gehele winterseizoen verwarmd. Aangezien lori’s het hele seizoen over kunnen gaan tot broeden vormt eventuele kou dan ook geen probleem.

In januari 1996 was er meer belangstelling voor de nestkast dan anders. Dit was duidelijk te merken omdat het vrouwtje regelmatig, vaak in gezelschap van het mannetje, in de kast aan het graven was. Er was op een gegeven moment een kuiltje gegraven en ik verwachtte ieder moment het eerste ei.
Het eerste ei werd eind januari gelegd, echter niet in de kast maar op de grond. Helaas was het ei beschadigd. Ik heb daarna een kunstei in de kast gelegd waarna het tweede ei 3 dagen later op de juiste plaats werd gedeponeerd.
Exacte gegevens over bijvoorbeeld formaat en gewicht ei als ook verdere gegevens over het verloop heb ik maar summier genoteerd door een tekort aan vrije tijd. Uiteraard is het normale verloop niet anders dan bij de veel algemener gehouden zwarte lori of andere Chalcopsitta soorten.
De broedduur bedroeg 25 dagen exact. De eerste 3 weken groeide het jong goed maar daarna viel mij op dat het minder gevoerd werd dan ik verwachtte. Ik heb het jong toen overgelegd bij een paar groenstaartlori’s, Lorius chlorocercus. Na ongeveer 70 dagen vloog het jong uit. Het lijkt zeer veel op een jong van een zwarte lori. Het heeft nog bijna nergens rood. De binnenzijde van de dijen hebben een rode gloed en de rode vlekjes op de binnenzijde van de vleugel zijn aanwezig.

Over de voeding kan ik kort zijn omdat die niet wezenlijk anders is dan u in andere artikelen van mijn hand heb kunnen lezen. Het bestaat hoofdzakelijk uit het kant en klare Avesproduct. Sinds kort voeg ik een kleine hoeveelheid “Entrodex” toe. Dit is een engels produkt die een grote concentratie aan Enterococcus faecium (bacteriën) bevat. Deze bacterie behoort tot de zeer nuttige soorten die in staat is bijvoorbeeld de sneldelende pathogene (ziekteverwekkende) E. coli bacterie onder de duim te houden. Met andere woorden het verhoogt de weerstand van de vogels.


Uiteraard ben ik zeer verheugd met dit eerste Bernsteinlori jong. Hopelijk slaag ik erin binnen niet al te lange tijd een nieuwe bloedlijn te introduceren.

Literatuur
FORSHAW, J.M., & COOPER, W.T. (1989): Parrots of the World, Landsdowne Edition


Door Jos Hubers, Nederland.
Met toestemming overgenomen uit Lory Journaal.