Blauwkroonlori.

Door: Ed Lewins, begeleidend curator San Diego Zoo, USA
Met toestemming overgenomen uit Lory Journaal.

Blauwkroonlori, vini Australis


De blauwkroonlori vind haar verspreidingsgebied in Samoa, Fiji, en enkele omliggende eilanden in zuid-centraal Polynesië, en is één van de vijf vertegenwoordigers uit het geslacht vini. Opvallende kenmerken van deze soort zijn de lange smalle schachtveren van de kroon en de kleine smalle snavel. Slechts twee vertegenwoordigers uit het geslacht vini, te weten; de blauwkroonlori vini Australis, en de saffierlori vini peruviana worden momenteel buiten hun natuurlijk leefgebied gekweekt. Deze soorten worden slecht in enkele collecties gehouden, en het grootste aantal van deze twee soorten vind men in de collectie van de San Diego Zoo.

De blauwkroonlori is een relatief kleine vogel van ongeveer 19 cm. De kleur is helder groen met een grote rode bef die zich uitstrekt van onder de ogen en snavel tot aan de bovenborst. Tevens bevind zich op de onderbuik een rood met paarse zone. De onderzijde van de staart is geel van kleur. De kroon is indigo-blauw met hemelsblauwe streepjes doorweven. De snavel en poten zijn oranje en de iris is bruin-achtig oranje van tint. Er zijn geen uiterlijke geslachtskenmerken.

De blauwkroonlori’s in onze collectie, zijn afkomstig uit twee verschillende aankopen. De eerste paren kwamen eind 1971 in ons bezit. En vanuit deze vogels hebben wij in 1973 de Bean Award ontvangen, voor de eerste kweek in gevangenschap met vini Australis. De volgende 2 paren arriveerde in april 1991 en zijn het genetisch fundament van onze huidige collectie. In mei 1996 bedroeg het totaal aantal geboren jongen 46. Hiervan zijn 7 jongen afkomstig van het paren uit 1971 en zijn geboren tussen 1973 en 1979. Van de 2 paren uit 1991 zijn 29 jongen geboren, de resterende 10 jongen stammen uit de tweede generatie.

Dieet
Zoals al onze lori’s, krijgen ook de blauwkronen een basis dieet gebaseerd op nectar en fruit. Nekton lori-poeder wordt in een verhouding 1:10 met water vermengd en in de morgen verstrekt. De nectar wordt in de middag vervangen voor stukken fruit, gewoonlijk appel, peer of papaya, samen met een paar meelwormen en fijn gehakte sla. Als er jongen in het nest liggen wordt ook s’middags nectar gegeven.

Huisvesting
Deze lori stelt, zoals heeft uitgewezen, geen speciale eisen aan de huisvesting. In de loop der jaren hebben ze diverse onderkomens bewoond, en daarin succesvol gebroed. De 2 paren uit 1991 werden ondergebracht in kooien van 3,7 mtr lang, 1,2 mtr breed en 2,4 mtr hoog met een vloer uit beton. Een deel was afgedekt om beschutting te bieden. Enkele planten in potten (meestal ficus- of hibiscus-soorten), werden geplaatst die als slaapplaats, bescherming of als afleiding konden dienen. Een andere kooi waarin, op leenbasis door een aviculturist, succesvol gekweekt werd had de volgende afmetingen; 180 cm lang, 45 cm breed en 90 cm hoog. Vanwege de zeldzaamheid van deze soort, werden de originele paren niet tentoongesteld in het park. Door de succesvolle kweek hebben we nu de beschikking over een aantal vogels die op 2 lokaties in het park te zien zijn. Beide volière’s hebben een zand-bodem die beplant is met varens, ficus, hibiscus en palmen. Zoals bij de meeste lori’s, zijn ook de blauwkronen, erg vernielzuchtig ten opzichte van planten. Het schijnt hun niet uit te maken of het nu de Australische boomvaren (Cyathea cooperi), de Holly varen (Cyrtomium fulcatum) of papaya (Carica papaya) is.

Nestkasten
Ook hierin blijkt dat deze soort snel tevreden is. In verschillende nestkasten zijn goede resultaten behaald. De eerste paren hadden een laars-vormige nestkast van 45 cm hoog, een schacht van 20 x 20 cm en een bodem van 20 x 40 cm ter beschikking. Maar ook in nestkasten van 12 x 20 x 20 cm en een kast van 20 x 20 x 30 cm is succesvol gebroed. Ontegenzeggelijk was een palmhouten blok met een opening van 3,5 cm met daaraan een plasticpijp van 15 cm in diameter en 30 cm hoog dat in een holte aan het hout bevestigd was, uniek te noemen. In de pijp was onder de invliegopening een te demonteren laddertje bevestigd zodat de vogels er makkelijk in en uit konden komen. Dit vergemakkelijkt het schoon maken van het nest, iets wat regelmatig gedaan moet worden bij lori’s die jongen in het nest hebben.

De kweek
De hofmakerij en het broeden is gelijk aan die bij andere lori’s. De hofmakerij gaat vergezeld met hoofd buigingen, uitstaande veren en heen en weer wiebelen. Als de pop er klaar voor is, volgt de eigenlijke paring. De 2 eieren worden met een tussenpoos van 2 á 3 dagen gelegd. Zowel de pop als de man verblijven vaak in de nestkast, maar uiteindelijk is het de pop die het uitbroeden voor haar rekening neemt. De broedtijd bedraagt 24 tot 27 dagen. De net uitgekomen jongen zijn met een spaarzaam lang wit dons bedekt en hebben een licht tot middel roze lichaamskleur. Het dons wordt later vervangen door een meer dichter grijs donskleed. Op een leeftijd van 10 dagen openen de ogen, de slagpennen komen op een leeftijd van 3 weken door. Na 60 tot 66 dagen verlaten de jongen het nest en zijn dan gelijk aan de oudervogels zij het nog wat doffer van kleur. Ook de kroonveren zijn korter en de rode keel is minder groot evenals de rood met paarse onderbuik. De snavel is donker hoornkleurig en de iris is bruin. Ze zijn na een jaar volledig op kleur.

Niet alle jongen zijn door de ouders opgevoed. Af en toe moesten of eieren of jongen uit het nest genomen worden. Het heeft uitgewezen dat dit zonder al te veel problemen verliep zowel bij handopfok als met viooltjeslori’s trichoglossus goldiei als pleegouders. In het begin rees de vraag of er later geen problemen zouden komen bij de verdere kweek met deze jongen. Het heeft echter uitgewezen dat deze jongen afkomstig van handopfok of van pleegouders zelf probleemloos jongen groot konden brengen.

Tot slot kunnen we concluderen dat de ervaringen van de San Diego Zoo met de blauwkroonlori hebben uitgewezen dat het een vogel is die zich makkelijk aanpast en tevens zeer vruchtbaar blijkt te zijn in gevangenschap.

Met speciale dank aan:
Gwin Campbell, Jackie Cosgrove en Paul Colo voor hun bijdrage in het verstrekken van informatie verkregen door observatie van hun vogels.