Duivenbode lori.

Duyvenbode’s (Chalcopsitta duyvenbodei) een prachtige lory zonder weerga.

Van de meer dan 300 soorten papegaaiachtigen, heeft er maar een een kleuren schema van bruin en geel. Duyvenbode’s Lory (Chalcopsitta duyvenbodei) is in dit opzicht bijzonder. Bij volwassen vogels is de gehele onderkant van de vogels prachtig narcis geel. In mijn ogen is dit een buitengewoon prachtige vogel- en ik heb nooit begrepen waarom er niet meer belangstelling voor is. Vooral twee andere kenmerken van zijn veren pak zijn prachtig: van voren bezien, loopt het geel helemaal om de snavel en het voorhoofd; ook de tegenstelling van violet of diep blauw onder op de rug, romp en onder de staart veren. De gestreepte puntvormige veren in de nek vallen ook op. Ze zijn even groot als de andere Chalcopsitta soorten, dus 31cm (12inch) en weegt ongeveer 215gram. Man en pop zien er precies hetzelfde uit. In de vogelkundige literatuur wordt ze soms ook wel de Bruine Lory genoemd. Door de jaren heen is er enige verwarring ontstaan over de spelling van zijn algemene en wetenschappelijke namen. Deze soort is vernoemd naar C.W.K. van Duyvenbode, met een y en niet met een i. De verkeerde spelling met een i, is waarschijnlijk ontstaan in de Checklist of Birds of the World, deel III door J.L. Peters, gepubliceerd in 1937. De nu zeldzame Sunbird (Aethopyga duyvenbodei) van het eiland Sanghir (waar de Eos histrio voorkomt) werd eveneens naar dezelfde persoon vernoemd. Er wordt een ondersoort, syringanuchalis, genoemd maar dit is zeer twijfelachtig. Er wordt beweerd dat deze ondersoort op de kop en de rug donkerder is en dat sommige exemplaren een paarse gloed hebben. Patrick Tay uit Singapore kwam in 1989 in het bezit van een exemplaar dat in het wild was gevangen. Waar de vogel normaal gesproken bruin van kleur was, was zij nu groen behalve de mantel en de vleugels. De stuit en de veren onder de staart hadden de blauwe kleur als dat van een regenboog.

Geschiedenis in het wild:
Er zijn niet veel gegevens verzameld over het gedrag van deze soort in het wild. Hij komt voor in de noordelijke, voornamelijk kust gebieden van Nieuw Guinea. Het is niet een van die soorten die men in grote vluchten aantreft, maar ze komen meer in paren of kleine vluchten voor. Kennelijk zeer verspreid op lage hoogten komt de soort voor in bossen en hoge struikgebieden. Voor zover ik weet is nooit beschreven wat voor soort nest deze vogel in het wild gebruikt. Geschiedenis van deze soort in gevangenschap: Waarschijnlijk de eerste vogel die Engeland bereikte was het exemplaar dat aan de dierentuin van Londen in 1929 werd aangeboden. Vanaf die tijd tot 1973, toen de export vanuit Nieuw Guinea op commerciële basis begon, was deze soort in avicultuur zeldzaam. De aantallen stegen toen door import en kweek, maar zijn nu weer aan het afnemen. Hoewel ze voorkomen in Europa, Zuid Afrika en de USA (waar een lory groep enige jaren geleden een aantal vogels importeerde), ben ik bezorgd voor de overlevingskansen, op lange termijn, van deze prachtige vogel in avicultuur. Er zijn meer liefhebbers nodig.

Geschiedenis van een paar:
De Duyvenbode’s lori is altijd een van mijn favoriete lories geweest. Ik vind zijn kleuren en zijn persoonlijkheid bijzonder aantrekkelijk. Tussen 1973 en 1978 schaften Bob Grantham en ik negen vogels aan, uiteraard allemaal geïmporteerd. We waren niet de enigen die constateerden dat het sterfte cijfer binnen een paar maand na importeren hoog was. Helaas overleefden slechts twee van deze vogels de eerste vijf jaar. Een man en een pop, dit stel was het eerste paar dat tot broeden overging in 1983. Of misschien is het beter om te zeggen dat niemand anders op dat moment melding had gemaakt van broedresultaten, hoewel er in de daarop volgende jaren een aantal succesvolle broed resultaten werden gerapporteerd. Dit paar is nog steeds bij Bob Grantham, in dezelfde volière, met dezelfde nestkast! In 1997 was hun een jaar oude jong nog steeds bij ze, hierdoor verhinderde het jong wel dat de ouders opnieuw met broeden zouden beginnen. Nadat het jong jammer genoeg uit de volière was ontsnapt begon het paar onmiddellijk met een nieuw legsel en kreeg een jong dat voor dat het in de veren zat dood ging. Direct hierop werden opnieuw 2 eieren gelegd en twee jongen kwamen uit. Op dat moment was het paar minstens 20 jaar oud. Alle geïmporteerde vogels waren volwassen vogels zodat we aan kunnen nemen dat ze aanzienlijk ouder waren dan 20 jaar. Ze worden buiten gehouden in een volière van 2.1m lang, 91cm breed en 1.8m hoog. De nestkast is 23cm in het vierkant en 54cm hoog. Huisvesting: Alhoewel dit paar het goed deed in een kleine volière, zou de schoonheid van de Duyvenbode’s Lory in de vlucht beter tot zijn recht komen indien ze in een volière van 3.6m tot 4.5m gehouden werden. Pas dan komt het geel onder de vleugels beter tot zijn recht. De beste bodem bedekking is volgens mij kleine kiezelsteentjes. Dit is makkelijk schoon te houden d.m.v. een tuinslang of hoge druk spuit. Het voeden en het inspecteren van het nest zou plaats moeten vinden zonder dat men de volière hoeft te betreden.

Voeding:
Duyvebode’s zijn in principe een nectar en fruit etende soort. In mijn ervaring is het minder kritisch in zijn dieet dan bijv.de Geelgestreepte lori. Appel, peer, druiven, banaan en sinaasappel (en op de Canarische Eilanden, cactus fruit en guavas) worden graag gegeten. Sommige accepteren verse mais, anderen weigeren dit. Aan een paar heb ik droog voer verstrekt maar ze toonden er geen belangstelling voor. Voedsel in vloeibare vorm, bij voorkeur twee maal daags vers verstrekt, zou altijd beschikbaar moeten zijn.

De kweek:
Voor iedereen die geïnteresseerd is in het kweken van deze soort zou ik de aanschaf van jonge, onverwante in gevangenschap gekweekte vogels, die dmv DNA gesekst zijn aan willen bevelen. Hoewel het 2 1/2 jaar duurt voordat ze broedrijp zijn is het volgens mij toch beter dan vogels te kopen waarvan niet bekend is hoe oud ze zijn en waar ze vandaan komen. De man heeft gewoonlijk een iets grotere kop en snavel dan de pop, maar tenzij men goed bekend is met deze soort is het aan te bevelen om het geslacht d.m.v. een methode te laten vast stellen die zekerheid biedt. Voordat ze met broeden beginnen worden ze luidruchtiger en de mannetjes worden iets agressiever, waarbij ze iedereen die in de buurt komt bedreigen door op en neer te hoppen waarbij ze de vleugels gedeeltelijk open houden. De poppen brengen steeds meer tijd door in het nest, maar sommige poppen hebben de gewoonte om het nest te verlaten zodra er iemand in de buurt komt. Tenzij het nest regelmatig gecontroleerd wordt kan het tijdstip waarop het broeden, begint gemist worden. Het legsel bestaat uit twee eitjes die na 24 tot 26 dagen uitkomen. Sommige poppen beginnen niet met broeden op de dag dat het eerste eitje gelegd wordt. Pas uitgekomen jongen wegen ongeveer 8 gram. Ze hebben een vrij lang wit dons van boven maar zijn voor de rest maar schaars bedekt. De snavel is donker bruin met een witte ei tand. De jongen worden geringd met een ring van 7.5mm als ze ongeveer 16 dagen oud zijn. Als de jongen twee weken oud zijn moet de nestvulling (houtwol) regelmatig verschoond worden, minstens eenmaal per week. Hoe vaak hangt af van hoe vloeibaar het natvoer is. Als deze verplichting verwaarloosd wordt beginnen de ouders waarschijnlijk de jongen te plukken en of ze nu wel of niet geplukt worden de jongen zullen erg gevoelig zijn voor kou vatten, wat vervolgens de dood tot gevolg zal hebben. Jongen die gedurende de koude maanden van het jaar in Europa in buiten volières uitkomen moeten na een week verwijderd worden om ze verder met de hand groot te brengen, anders zullen ze het niet overleven. De jongen verlaten het nest als ze tien tot elf weken oud zijn. Ik geef er de voorkeur aan om de jongen minimaal twee maanden bij de ouders te laten, zelfs al kunnen ze na twee of drie weken voor zichzelf zorgen. Zelfs indien men de jongen veel langer bij de ouders laat zijn deze goedaardig en niet agressief tegenover ze. Ik ben van mening dat we gewoonlijk te snel zijn om de jongen bij de ouders weg te halen en dat het vele voordelen heeft om het gezin bij elkaar te houden. Ik vermoed dat deze jongen later zeer waarschijnlijk veel betere broedresultaten geven. Ze kunnen een hoop van hun ouders leren.

Het met de hand grootbrengen van de jongen:
Het is niet aan te bevelen om een enkel jong, waarmee men later wil kweken, met de hand groot te brengen, tenzij ze samen met andere jonge Chacopsitta lories kunnen worden groot gebracht. Jonge Duyvenbode’s hechten zich snel aan de verzorger. Ze zijn buitengewoon aanhankelijk en zoeken graag naar menselijk gezelschap, of ze nu wel of niet samen met andere lories zijn grootgebracht. Velen zijn trager om zelfstandig te worden dan andere lori soorten. Ze beginnen misschien zelf te eten als ze zeven weken oud zijn en zijn misschien zelfstandig met negen weken, maar soms duurt het ook langer voor dat ze voor zich zelf kunnen zorgen. Veel hangt van de omstandigheden af. Ze zijn veel gevoeliger en afhankelijker dan bijv. de Trichoglossus soorten en indien ze te snel voor zich zelf moeten zorgen, kan dat ernstige gevolgen hebben. Zelfs wanneer (op Palmitos Park) jongen uit de verzorgingsruimte werden verwijderd en geplaatst werden in kooien, gaf ik ze nog verscheidene weken s’morgens vroeg warm opfokvoer zowel als nectar. Ze schenen het nodig te hebben en genoten van het feit dat ze nog langer contact konden hebben met de persoon die ze groot bracht.

Als kooivogels:
Poppen, met hun vriendelijker natuur, zouden aanbiddelijke troeteldieren kunnen worden voor iedereen die hun harde en vrij luide krijsen op de koop toe neemt. Ik denk niet dat de vloeibare uitwerpselen een probleem zijn. Dit is makkelijk te voorkomen door ze in een 1 meter lange kooi te houden. Deze vangt al de uitwerpselen op en is makkelijk schoon te houden. Echter een lori die op deze manier wordt gehouden moet meerdere keren per dag worden uitgelaten voor wat lichaamsbeweging. Veel speelgoed voor ontspanning is onontbeerlijk. Hoewel ik normaal gesproken Chalcopsitta soorten niet als kooivogels aanbeveel, is deze soort door de schoonheid en de hartelijke natuur aan te bevelen voor dit doel bij een zorgzame eigenaar die zich volledig voor de vogel inzet en die begrijpt wat het houden van een grote lori inhoudt. Echter niemand moet om deze reden een dergelijke vogel kopen met het doel er later mee te kweken. Het is dan waarschijnlijk te zeer aan mensen gehecht. Lori kwekers moeten nieuwe wegen bedenken om hun jongen af te zetten indien het kweken van lories kan voort bestaan. Er moet echter op gewezen worden dat Duyvenbode’s NIET een soort is dat alleen van een droog dieet kan bestaan. Hun dieet bestaat voor 80% uit nectar. Het zou beslist verkeerd zijn om deze soort aan te bevelen als zijnde een soort die slechts een kleine hoeveelheid nectar nodig heeft. Ik vraag mij af hoeveel liefhebbers nog nooit Duyvenbode’s hebben gehouden. Zij missen dan een prachtige vogel.

Door Rosemary Low.
Met toestemming overgenomen uit Lory Journaal.