Bonte lori.

De Bonte Lori, Trichoglossus versicolor Psitteutelis versicolor

Door Peter Odekerken, Australië

Beschrijving
De mannetjes zijn te onderscheiden van hun ega’s doordat ze krachtiger getekend zijn, vooral de borst is intensiever rozerode getint. Een opvallend kenmerk is hun grote witte naakte oogring. Juveniele vogels zijn in het geheel matter van kleur en hebben minder rood op hun voorhoofd.
De totale lengte van de vogel bedraagt ca. 19 cm. Hun gewicht ligt rond de 60 g.

Distributie
Bonte lori’s komen voor vanaf de Fitzroy rivier in het Kimberley district (Noordwest Australië), door het hele gebied van de “Top End” (Northern Territory), zuidelijk tot aan Elliot en verder naar het oosten door Cape York tot op een enkele plaats aan de oostkust.  
Toen ik nog in Darwin woonde was ik zo gelukkig om de bonte lori in de natuur te observeren. Ook op allerlei tochten door het noorden heb ik deze soort vaak mogen bewonderen. Het meest oostelijk heb ik ze gezien bij Prairie, 40 km. ten oosten van Hughenden in Noord-Queensland.
Bonte lori’s worden vaker gezien in het binnenland dan aan de kust, hoewel ze ook waargenomen zijn vliegend over zee van de noordelijke voorsteden van Darwin naar de Bathurst-Melville eilanden groep.

Habitat
Bonte lori’s worden regelmatig gezien in lawaaierige groepen van 20 tot 50 vogels, soms aangroeiend met andere populaties tot een grote zwerm.
Mede door hun zwervend karakter, zoekend naar gebieden met  bloesemdragende bomen, worden ze het ene moment veel waargenomen en kunnen een korte tijd later verdwenen zijn. Soms komen ze ieder jaar op dezelfde plaats terug maar er kan ook een aantal jaren over heen gaan. Dit is afhankelijk van het voedselaanbod ter plaatse.
Ze vliegen behendig tussen de bomen door, ondertussen veel geluid producerend, en landen daarna in een vrijstaande boom. Bijna gelijktijdig beginnen ze met elkaar te converseren. Dit duurt meestal niet lang en ze verdelen zich dan ook al gauw individueel over hun domein.
Wanneer groepjes gestoord worden door een roofvogel, vliegen ze op en verzamelen zich tot een grote groep die boven de boomtoppen gaat vliegen, ondertussen steeds snel van richting veranderend om zo de roofvogel in verwarring te brengen.

Ik heb ontdekt dat tijdens het foerageren, de jonge vogels agressiever zijn dan de volwassene. Meestal geven de oudere vogels de jongeren de ruimte.
Wanneer er in een bepaald gebied veel bloesemdragende bomen of struiken bloeien, wil dat nog niet zeggen dat er ook veel nectar en stuifmeeletende vogels aanwezig zijn. Wanneer echter de bloesem de “honingvloed” gaat vrij geven, zijn er ook in een mum van tijd nectareters aanwezig.

Tijdens mijn tweejarig verblijf in de “Top End” zag ik in de omgeving van de Adelaide rivier kleine aantallen bonte lori’s. Midden oktober 1986 zag ik gedurende een week grote aantallen foeragerende vogels langs de Arnhem highway. Ik kwam al gedurende twee jaar over deze snelweg, maar tot nu toe had ik ze nog niet eerder waargenomen. Dit onderstreept nogmaals hun nomadisch karakter.
Bonte lori’s preferen droog bosland en eucalyptusbegroeiing rond waterlopen, vooral in het Mt. Isa en Cloncurry gebied. Vaak hoor je de vogels lang voordat je ze ziet, meestal vliegend hoog over de vegetatie.

In één geval zag ik een paar bonte lori’s met hun jongen op de kop hangen als vleermuizen. De ouders hingen aan weerszijde van hun jongen en waren hun veren aan het poetsen. Hierna volgde een korte siësta waarbij ze allen in deze positie bleven hangen. Een dergelijk schouwspel heb ik maar éénmaal waargenomen zodat ik niet weet of dit een regelmatig voorkomend gedrag is.

De bonte lori foerageert op vele soorten Eucalypt, Melaleuca en Grevillea. Ik heb ze ook zien zoeken naar voedsel langs de Mt. Isa golfbaan in de Western Bloodwood, E. terminatis.

Voortplanting
Tussen juli en november zie je grote gemengde groepen van jongen en volwassen vogels. Jonge bonte lori’s heb ik gezien tijdens alle wintermaanden, maar een nest heb ik jammer genoeg nooit gevonden.
Legsels variëren van 2 tot 4 eieren met af en toe uitzonderingen van 5 eitjes per legsel. Barbara O’Brien uit Victoria en Stan Sindel uit Sydney hebben dit fenomeen in avicultuur waargenomen.
De jongen komen na een broedduur van ongeveer 22 dagen uit. Ze zijn dan rose-achtig en dragen fijne witte primaire dons. Na ongeveer tien dagen gaan de ogen open en ontwikkelen ze een dikkere secundaire donslaag. De aanzet voor de vorming van de eerste veren is dan ook al te zien. De jongen vliegen uit op een leeftijd van zo’n 40 dagen.

Het baltsgedrag is wezenlijk afwijkend van de mij bekende andere soorten lori’s. Het paar beweegt op en neer, vlak naast elkaar zittend en zetten de veren van borst en stuit omhoog, waarna ze met het lichaam van elkaar afgaan terwijl de poten op dezelfde plaats blijven staan. Tijdens dit gedrag bewegen ze met de snavels en strekken hun nek, mogelijk een laag geluid producerend dat voor mij niet hoorbaar is. Zo af en toe worden er, meestal door het mannetje, snelle bewegingen gemaakt zoals kleine sprongetjes en wordt er snel heen en weer gelopen.
Jongen beginnen op en neergaande bewegingen te maken op een leeftijd van ongeveer 2 maanden.
Bovenbeschreven baltsgedrag is één van de redenen waarom het mij ten zeerste verwondert waarom deze soort door verscheidene ornithologen in het geslacht Trichoglossus is ondergebracht.
Niet alleen hun baltsgedrag maar ook hun ongewone kleurenpatroon en de duidelijke witte oogring komt niet overeen met de gemiddelde Trichoglossus soort. Ook hun formaat en geluid is afwijkend. Ik wil niet zeggen dat ik een expert ben op het gebied van de taxonomie van de Loriinae, desondanks heb ik tot op heden geen artikel gelezen die me precies verklaarde waarom ze niet in het geslacht Psitteuteles geplaatst kunnen worden.

In avicultuur
Gelukkig worden bonte lori’s door een goede verzorging en verbeterde voeding tegenwoordig in redelijke aantallen gekweekt. Desondanks ken ik geen enkele aviculturist die van zichzelf kan zeggen dat hij alle behoefte kent die de vogel nodig heeft om tot optimale kweek te komen.
Ik heb 10 bonte lori’s in een volière van 6.1 m. lang x 3.6 m. breed x 2.2 m. hoog. Ze hebben gezelschap van 2 konings, 2 red-capped en 2 jonge hoodedparkieten. Dit is voor mijn gevoel niet de ideale situatie, maar het lijkt erop dat de vogels zich daar toch goed thuis voelen.
Ik denk ook dat het belangrijk is om zoveel mogelijk vogels van één soort te bemachtigen en dan de keuze van de partners aan de vogels over te laten. Ik hoop koloniebroed te kunnen voortzetten wanneer ik plaats voor de andere vogels heb gevonden. Desondanks kan de praktijk misschien uitwijzen dat, wanneer de vogels met elkaar overhoop gaan liggen, ik ze toch apart moet gaan huisvesten.
Bij mijn bonte lori’s heb ik de ervaring dat ze zeer tolerant zijn ten opzichte van kleine vinkjes. Ze zitten er soms vlak naast, zonder ze iets te doen. Iedereen die de vogels in kolonie houd of wil gaan houden, raad ik aan de situatie toch steeds goed te volgen.

Mijn bonte lori’s worden gevoed met pap in combinatie met een droog mengsel.
De pap is uit de volgende ingrediënten samengesteld:
2 kopjes Heinz, hoog eiwit babyvoeding
2 kopjes fijngemalen biscuitjes
1 kopje tarwe kiemen
1 theelepel Sustagen sport mineralen en vitaminen poeder.
2 volle theelepels Nestle mout poeder.  
Dit wordt goed gemengd en afgesloten bewaard.
Iedere morgen neem ik een deel en meng dit met een zoete oplossing die afwisselend bestaat uit bruine suiker of honing. Met warm water wordt het verder tot een dunne pap gemengd.
Het basisvoedsel bestaat uit het droge mengsel uit Stan Sindel’s “Australian Lorikeets” boek.
Het bestaat uit de volgende delen:
2 kopjes Heinz rijstegraan
2 kopjes rijstebloem
2 kopjes kanarie eivoer
1 kopje glucosepoeder
1 theelepel multivitamine en mineralenpoeder
1 eetlepel stuifmeel.

Appel, peer, selderij, wortel, maïs aan de kolf en andere soorten fruit en groenten worden iedere avond vers verstrekt.
“Natte” cake wordt extra vochtig gemaakt met suikerwater en regelmatig gegeven. Tijdens het grootbrengen van de jongen wordt het dagelijks verstrekt. Het wordt zeer graag gegeten en ik blijf er dan ook bij dat het één van de beste opfokvoeders is.
Mijn bonte lori’s eten waarschijnlijk ook wat zaden, maar zeker weten doe ik het niet omdat ze meestal tezamen met de hoodedparkieten op de zaadbak zitten. Hoe dan ook, bonte lori’s zullen niet lang in een goede conditie blijven op alleen een zaaddieet.
Mijn lori’s zijn niet vet. Dit danken ze aan de grote bewegingsvrijheid die ze hebben. In kleine kooien zouden ze al gauw te vet worden.
In mijn artikel over de rode lori, Eos bornea, Australian Birdkeeper Vol. 1 No 2 heb ik details verstrekt over het gebruik van “Marmite” een biergistextract. Ik ben hier niet mee doorgegaan. In eerste instantie leek het geen kwaad te kunnen, tot ik problemen kreeg bij een purperkroonlori, Glossopsitta porphyrocephala. Deze vogel werd getroffen door een Candida infectie. Deze schimmelinfectie is behandeld met Nystatine. Ook de snavel werd steeds gereinigd, echter zonder resultaat. Op een dag realiseerde ik me plotseling dat de “Marmite” wel eens de oorzaak zou kunnen zijn. Nadat ik stopte met de vertrekking van het biergist knapte de vogel aanzienlijk op en herstelde uiteindelijk helemaal.
Zo zie je maar dat je niet bang moet zijn om fouten toe te geven. Je bent op dat moment naast de vogel de enige verliezer.

Het is nodig dat we ons best blijven doen om met de bonte lori te kweken. Pas op wanneer de vogels van dubieuze afkomst zijn en koop alleen gegarandeerde (eventueel geringde) nakweek.
Op dit moment is de bonte lori niet bedreigd, maar zei men dat de vorige eeuw ook niet van de paradijsparkiet?