Gekraagde lori.

Fiji’s mooiste vogel De gekraagde lori (Phigys solitarius).



Wie wil er nu geen parkieten in het wild observeren ? Een wens van velen die boven andere wensen staat. De voor mij meest dierbaarste herinneringen liggen in het opvangen van een glimp van de indrukwekkende Keizer amazone Amazona imperialis, en twee bezoeken aan Aitutaki, speciaal voor het zien van de saffier lori Vini peruviana en een verblijf van drie dagen op Viti Levu, Fiji eilanden 1993. Ik heb een reis gemaakt van Aitutaki naar Nieuw Zeeland, met in mijn achterhoofd de wens om de mooie gekraagde lori Phigys solitarius te zien.

Het is niet moeilijk deze soort te observeren, en er is ook geen uitdaging, alleen de voldoening van het zien van een der mooiste vogels op deze wereld. Sydney Porter, een van de bekendste Britse aviculturisten, die de eerste helft van deze eeuw veel reizen maakte, beschreef het als: “de lieflijkste en meest beminnelijkste vogel in de parkieten wereld”. Mooie woorden, en ik geloof dat veel parkieten liefhebbers, die deze soort in het wild hebben gezien, het met hem eens zijn.

De eerste keer dat ik er een in zijn natuurlijke omgeving zag, was direct na zonsopgang op de eerste dag van mijn verblijf op Viti Levu, het hoofd eiland van Fiji. Hoog boven in een palmboom schitterden twee juwelen door het gebladerte. Geen twijfel mogelijk dat ze stuifmeel aan het opnemen waren uit de bloesems. De kleuren van bonte vogels vervagen vaak als ze tussen bloemen zitten, maar de gekraagde lori’s daar in tegen, hoog in de zon, glansden met kleuren die ik nog nooit bij welke vogel dan ook waar genomen heb.

Ik was verbaast, en ongeduldig om ze van dicht bij te zien. Dit deed ik echter al enkele uren later. In de tuin van het hotel waar ik verbleef, aan de zuid-west kust, stonden bosjes
hibiscus-struiken met vuur rode bloemen. Lori’s voeden zich op de meeste bloem dragende heesters, of deze nu geïmporteerd zijn of inheems schijnt ze niet te interesseren, maar de hibiscus had blijkbaar hun voorkeur. De twee daarop volgende ochtenden vertoonden de gekraagde lori’s een schouwspel dat ik nooit zal vergeten. Briljante kleine rood met groene vogels, die zich in een met rode bloemen overgoten heester te goed deden aan voedsel. En dat op een afstand van slechts 2 m. Ik zat echter wel achter een struik, maar de lori’s zijn zo aan mensen gewend, dat ze niet snel opschrikken. Zelfs het flitsen van mijn camera liet ze ongemoeid.

Tuinen, en zeker die van hotels, zijn een uitbarsting van bloem dragende heesters. Als gevolg daarvan komen de gekraagde lori’s in zeer dichte nabijheid van de mensen. Het was duidelijk dat ze niet achtervolgd werden, op welke wijze ook, anders waren ze niet zo onbevreesd geweest. Gelukkig is het een algemene en goed verspreide soort. Ze komen op heel Fiji voor, met uitzondering van de kleine zuidelijke eilandjes,
                        
behorend tot de Lau groep, tot het zuiden van Viti levu. Fiji ligt in het zuid-westen van de Grote oceaan, 2800 km ten noord-westen van Sydney, Australië, en 1850 km ten noorden van Auckland, Nieuw Zeeland. Wie via de lucht naar een van deze landen reist, kan voor weinig of geen extra kosten een tussen landing maken op Fiji. Het is zeer de moeite waard omdat de gekraagde lori’s makkelijk te lokaliseren zijn op Viti Levu, waarop ook het internationale vliegveld gelegen is. Door langs de kust wegen te rijden, en oplettend te zijn op kokos-palmen, en bloeiende bomen. In Suva, wat een mooie stad is met veel tuinen en straten met veel bomen, kunnen de gekraagde lori’s aangetroffen worden bij het voedsel zoeken in de kokos-palmen. Aan de andere kant is de andere inheemse lori, de kleine roodkeellori Charmosyna amabilis, bijzonder zeldzaam, en moeilijk op te sporen in de kruinen van de bomen.

Gekraagde lori’s worden meestal in kleine groepen aangetroffen, wat ook staat beschreven in het boek: Birds of Fiji Bush, Fergus Clunie, deze groepen bestaan uit ongeveer 50 exemplaren. Hun vlucht is snel en in een strakke lijn. Het voedsel bestaat uit stuifmeel en nectar, met inbegrip van de sierlijke rode bloemen van de kafferboom Erythrina indica, de parrapluboom, de Afrikaanse tulpenboom en geïmporteerde eucalyptus. Ze eten eveneens rijpe vruchten als de mango en zuurzak, en volgens Clunie zelfs rupsen en andere insekten.

Omtrent het broeden is erg weinig bekent, behalve dat ze in holen en spleten in bomen nestelen en dat het legsel uit 2 eieren bestaat. Clunie zegt dat ze agressief zijn in de nabijheid van het nest, en vallen zelfs de veel grotere Barking duif aan. Het broeden geschied in de tweede helft van het jaar.

Ik vraag me af of ze natuurlijke vijanden hebben, die invloed uitoefenen op de aantallen van deze lori. Het is vast gelegd dat de slechtvalk Falco peregrinus ze kan vangen en doden. Echter is deze inheemse ondersoort nu zo zeldzaam of wellicht uitgestorven. Of de meer algemene Fiji Goshawk Accipiter rufitorques in staat is hen te vangen weet ik niet. Bahr (1911) merkte op dat, daar waar de geïntroduceerde manengans voorkomt, de lori’s zeldzamer werden, maar ik heb in recente literatuur niets kunnen vinden of deze gans een bedreiging voor de lori’s vormt.

Iemand die de gekraagde lori alleen kent van foto’s, zal danken dat hij groter is dan dat in werkelijkheid het geval is. Dit komt door de gedrongen lichaamsbouw, zoiets als een verkleinde uitgave van de zwartkaplori Lorius lori lori. In feite is hij slechts 20 cm lang, dat is kleiner dan de muskuslori Glossopsitta concinna. Het is de uitbundigheid van kleuren, de scherp afgetekende kleurvelden, en de intensiteit van de kleur van de groene “keep” die leiden tot deze buitengewone pracht. Hierbij komt nog de opgewektheid en joie de vivre  — ja — Porter had gelijk, dit is “de liefelijkste en meest beminnelijkste vogel in de parkieten wereld”. Ik kan dat bevestigen, en zeggen dat ik ze gezien heb in het wild. In gevangenschap is de pracht nog steeds onweerstaanbaar, maar kan niet op tegen een gekraagde lori in zijn natuurlijke omgeving.

De rode veren van deze soort waren voor eeuwen uitermate belangrijk in de cultuur op Fiji. De lokale naam “Kula vogel” is veel betekenend. Kula betekend rood maar betekend ook rijk. De veren hadden een waarde als goud. Ze betekenden een soort welstand voor de mensen op Fiji die ook in een hoog aanzien stonden tegenover de volken op Samoa en Tonga. De Samoans stonden bekent om hun matten van tapa weefsel (geslagen uit de schors van de moerbeiboom). Deze matten werden gedecoreerd met de rode veren van de “Kula vogel”. De veren en levende vogels werden steeds belangrijker en de laatst genoemde werden in kooien gezet en periodiek geplukt. Hoewel er veel ontsnapten hebben ze zich nooit op Samoa gevestigd. Aan het begin van deze eeuw werd de handel in rode veren en vogels verboden en nu worden in plaats van veren stukjes rode wol gebruikt. Is er enige lori of parkiet die zo’n belangrijke plaats in de cultuur heeft gehad in zijn vaderland en andere eilanden, ik geloof het niet. Hij was het symbool voor welstand en sociaal aanzien.

Laten we nu eens vanuit de avicultuur naar de bevedering kijken. Is deze soort uiterlijk op geslacht te onderscheiden? Zelf weet ik niets over in gevangenschap gehouden gekraagde lori’s, en moet dus een beroep doen op andere auteurs. In Birds of the Fiji Bush schrijft Fergus Clunie:”Vrouwtjes hebben een meer helderder groene kleur, en hebben een groene schijn over de paars-blauwe kap”. Verder schrijft hij iets als mannetjes hebben een meer markanter rode kleur. In Parrots of the World staat dat vrouwtjes het voorhoofd bleker hebben en meer blauw-achtig en dat het achterste deel van de kap een groene schijn heeft.

In Birds of Fiji, Tonga and Samoa, Dick Watling, staat onterecht:” Jonge vogels zijn gelijk aan de ouders”. Ze onderscheiden zich wel degelijk en in de derde editie van Parrots of the World staat een nieuwe afbeelding en een gedetailleerdere beschrijving van jonge vogels. Het meest opvallende is de doffere kleur groen van de keep, de bevedering van de achterkap is doorlopen met een groene schijn. Amadon (1942) schrijft ” Mannetjes hebben groen in de achterkap maar alleen aan de basis van de veren en worden normalerwijs afgedekt”. Bij jonge mannetjes is het groen dunnetjes zichtbaar maar niet zo als bij volwassen vrouwtjes. Ook zegt hij dat bij volwassen dieren het sexuele onderscheid meer zichtbaar wordt.

Waarschijnlijk hebben veel lezers nog nooit een gekraagde lori gezien, omdat hij altijd vrij zeldzaam is geweest in avicultuur. In de San Diego Zoo, Californië, en vogelpark Walsrode kunnen we ze wel bewonderen. In de San Diego Zoo, waar ik in oktober 1992 was, hadden ze 3 paren, maar na een jaar nog geen broedresultaten. Dr. R.Burkard, een wel bekende Zwitserse aviculturist, had in 1968 7 paren, waarschijnlijk de grootste populatie in gevangenschap. Ook hij vond het verzorgen en broeden in gevangenschap moeilijk. Hij heeft ze overgebracht naar meer ervaren lorikwekers. In 1983 is de laatste vogel door vogelpark Walsrode overgenomen. Ze had toen een leeftijd van 10 jaar en leefde nog zeker 4 jaar. Momenteel komt deze prachtige vogel bij een behoorlijk aantal liefhebbers in hun collectie voor.

Ik heb grote interesse in informatie, uit eerste hand, van mensen die de gekraagde lori gehouden hebben of mee gekweekt hebben. Kan iemand mij daar aan helpen ?

Door Rosemary Low.
Met toestemming overgenomen uit Lori Journaal