Het geslacht Chalcopsitta.

Het geslacht Chalcopsitta.

Het geslacht Chalcopsitta’s telt 3 soorten die zijn onderverdeeld in 9 ondersoorten. De meest opvallende zijn misschien wel de zwarte lori’s, (Chacopsitta atra). De kleur van de vier soorten kunnen we verdelen in hoofdkleuren. Bij de zwarte lori’s verdeeld in vier ondersoorten, is dit, de naam duidt dit al aan is zwart. Bij de twee ondersoorten van de Duivenbode lori, (Chalcopsitta duivenbodei), is de hoofdkleur overwegend olijf-bruin. De Duitse benaming Braunlori is dus eigenlijk een zeer juiste benaming. Bij de derde soort, (Chalcopsitta scintillata), verdeeld in 3 ondersoorten, is de kleur overwegend groen. Het zijn allemaal vrij grote vogels met naar verhouding een vrij korte staart die enigszins afgestompt is. Vaak worden deze lories beschreven als niet zo erg attractief aangezien ze allemaal de felle en bonte kleuren waar de andere lorisoorten zo in uitblinken missen. Maar dit wil ik toch ten zeerste bestrijden, aangezien deze vogels mits goed verzorgd en gehouden in een ruime volière hun bijnaam glanslories alle eer aandoen.Ik betwijfel of de auteurs die zo schrijven deze werkelijk schitterend glanzende vogels ooit wel eens in werkelijkheid gezien hebben, waarschijnlijk zijn ze uitsluitend en alleen afgegaan op oudere lectuur of kleurbeschrijvingen. Dit acht ik zeer goed mogelijk aangezien lori’s van dit geslacht toch niet zoveel gehouden worden door de liefhebbers dan de meeste andere soorten. De glanslories verbergen hun mooiste kleuren meestal onder hun vleugels, een goed voorbeeld is de Duivenbode lori (Chalcopsitta duivenbodei), deze overwegend bruine vogel toont zijn prachtige kleuren het duidelijkst tijdens de vlucht. Het is waarlijk een schitterend gezicht deze bruine vogel te zien vliegen met z’n goudgele vleugels en blauwe stuit dit is ook een van de redenen dat deze vogels eigenlijk een lange vlucht nodig hebben om volledig tot hun recht te komen. Alle vogels van dit geslacht zijn over het algemeen zeer agressief tegen alle andere soorten vogels, maar als paar gehouden in een volière worden ze meestal zeer tam en vertrouwelijk tegenover hun verzorger. Het zijn dan meestal vrij rustige vogels, die hun schril geluid dat ze in het begin nogal eens laten horen, vrij spoedig achterwege laten zodat men ze nauwelijks nog hoort. Sommige soorten van dit geslacht moeten s’winters in verwarmde volières gehouden worden terwijl sommige soorten de hele winter wel buiten kunnen blijven. De vogels van dit geslacht zijn meestal broedrijp op een leeftijd van plm. 3 jaar en de broedtijd  is gemiddeld 24 tot 25 dagen.