Kweken met de Bloedvlek lori.

De kweek met de bloedvleklori (Trichoglossus Haematodus capistratus).

Door Gert van Dooren.

De kweek van de Trichoglossus familie en dus ook de bloedvleklori is niet moeilijk en vrijwel bijna als van de nominaatvorm de Groenneklori. De vogels bij mij begonnen in december 2001. De eerste eitjes werden gelegd op respectievelijk 29 en 31 december. De afmetingen van de eitjes waren 21,8 × 27,1 mm.en 21,9 × 27,4 mm. Deze eieren waren bevrucht maar werden snel beschadigd door de pop en/of man. Het repareren met nagellak mocht niet baten en het 2e ei stierf af op 21-01-02 met een te grote luchtkamer. Voor dat het 2e legsel startte, heb ik horizontale plankjes in de nestkast gemaakt zodat de of man niet direct op de eieren kon “springen”. Voordeel was ook dat er geen gaas nodig was binnen in de nestkast zodat nagelbeschadigingen uitgesloten waren. De plankjes waren van red ceder dus zacht hout en tevens geschikt om te knagen, wat ze naar hartelust ook deden. Het 2e legsel werd gelegd op 10 en 13 maart 2002. De jongen kwamen uit op 5 en 7 april. De broedduur was dus 25 en 24 dagen indien er vanaf het eerste ei gebroed werd.. De jongen werden geringd met 6 mm. ringen op 14 en 15 april. De ouders waren voorbeeldig en je kon geen betere wensen. Ze voerden goed en plukten de jongen niet en deze vlogen puntgaaf uit met een zwarte snavel. De randen van de gele borstveren waren in tegenstelling tot de ouders afgezet met een donkergroene zoom. De buikveren waren wat groener dan bij oudere vogels waar ze meer donkergroen tot haast zwart gekleurd zijn. De mantelveren waren niet aan de basis geel met een groene zoom, maar volledig groen. Het 3e legsel werd gelegd op 14 en 16 augustus en ze kwamen uit op 8 en 9 september, (ook 25 en 24 dagen). Nu begonnen de ouders de jongen zeer licht op de rug te plukken en later ook op de borst. Bloedvleklori’s hebben inderdaad de reputatie dat het plukkers zijn o.a. bij zichzelf  (vaak de pop), of bij de partner.maar ook de jongen worden niet vergeten. Deze ouders hadden zichzelf nooit geplukt en zaten er nog steeds glad in de veren bij. Tijdens de opfokperiode van het 3e legsel heb ik de gewichten van de jongen dagelijks genoteerd en hieruit kan men enkele conclusies trekken. De minimale temperatuur in het binnenverblijf was 15 graden en de maximale temperatuur 28 graden Celsius. De jongen werden op dag 12 en dag 14 geringd met 7 mm. ringen, beter is 6 mm. maar deze waren op. Binnen 27 dagen kan er een gewicht bereikt worden van 100 gram, hierna groeien de jongen niet meer zo snel en de energie en eiwitten worden dan vooral benut voor de veeropbouw en de verdere ontwikkeling. Zo gauw er veren aanwezig zijn bij de jongen wordt het poetsgedrag ontwikkeld en zijn de jongen hier vaak mee bezig.zo ook bij de jongen van het 3e legsel. De jongste van de twee werd helaas slechter gevoerd, (vaker tussendoor met een lege krop aangetroffen). Dag 39 werd dit jong apart met de hand gevoerd. Hierdoor herstelde het zich weer erg snel en nam in gewicht toe. Dit jong at zelfstandig op een leeftijd van 49 dagen en het bijvoeren werd toen beëindigd. Het oudste jong dat in het nest was gebleven bij de ouders begon voor het uitvliegen reeds met het oefenen met de vleugels door ze snel op en neer in de nestkast te slaan. De reeds eerder beschreven ingebrachte plankjes in de nestkast ter bescherming tegen het beschadigen van de eieren deden nu dienst als “zitstok” waardoor het jong mooi naar buiten kon kijken door het invlieggat. Het hoogste gewicht met halfvolle krop was op dag 46, 134 gram (eerste jong). Het eerste jong ontwikkelde zich beter en nam in gewicht toe toen het tweede jong verwijderd was. In de krop zat tenminste vaker voldoende voer. Verder viel het op dat de  krop een groot deel van het gewicht kan bepalen. Vooral in de eerste levensfase is de krop in verhouding met de rest van het lichaam het zwaarste onderdeel van de jonge vogels. Dit geeft vaak een vertekend beeld als jongen weegt. Zou men in de tabel niet weergeven dat een jong een lege, halfvolle of volle krop had dan kreeg men soms de indruk dat het jong was afgevallen. Bijvoorbeeld dag 15 oudste kuiken 64 gram volle krop, gewogen met lege krop  56 gram. In de praktijk kan dit betekenen, wanneer men hier geen rekening mee houd, dat dit dus bijna een verschil kan zijn van 20%. Het gewicht opnemen van jonge vogels heeft dus alleen zin als men er bij vermeld (geschat) hoeveel voer er in de krop aanwezig is. Het wegen van de jongen kan voor een niet ervaren kweker een goed hulpmiddel zijn om vast te stellen wanneer de ouders 1 of beide jongen slecht voeren. Op tijd ingrijpen kan dan een sterfgeval voorkomen. Eveneens een goede indicatie kan men krijgen door regelmatig aan de jongen te voelen en zodoende te constateren of ze warm genoeg zijn. Jongen moeten altijd warm aanvoelen en liefst met voer in de krop de nacht ingaan. Jonge vogels die koud zijn al dan niet met een volle krop moeten onmiddellijk in een warme situatie worden gebracht en met de hand worden gevoerd. De jongen werden gevoerd met een mengsel van pollen, gist, druivensuiker, havermout, vitamine, mineralen en wat toevoegingen als bindmiddel tegen het uitzakken. Verder kregen de vogels dagelijks een droogvoermengsel van stuifmeel, (gemalen pollen),  havermeel , gist en druivensuiker. Hiervan ligt het eiwitgehalte stukken hoger dan het natte mengsel, omdat de verhouding gemalen pollen hoger is. Pollen is een bestanddeel die men vermoedelijk door de hoge prijs, nauwelijks tegenkomt in commerciële voeders terwijl het met nectar, in de vrije natuur het belangrijkste voedsel voor onze lori’s is. Dit voer werd vooral door het vrouwtje gegeten en later ook erg goed door de jongen. De jongen van het eerste legsel bleken 2 vrouwtjes te zijn en wogen met lege krop 105 en 109 gram op een leeftijd van 6 maanden. Voorts kan ik vermelden dat de  vogels niet agressief zijn tegenover andere lori’s en hebben bijvoorbeeld de 2 jonge vrouwtjes van het 2e legsel op een leeftijd van 6 maanden zich voorbeeldig gedragen tegenover een jonge bloedvleklori die net uitgevlogen was. Alle andere 6 maanden “jonge” lori’s van diverse soorten moesten doorverhuizen naar een andere vlucht omdat er jonge blauwkoppen, diademen en zwartkappen van ± 10 weken oud in de babyvlucht bijkwamen, behalve de 2 jonge vrouwtjes van de bloedvlekken. Mijn jonge bloedvlekken zijn beslist minder bijtgraag naar andere lori’s dan bijvoorbeeld groennekken of blauwkoppen. Het zijn bij mij dus ideale kolonievogels die naar elkaar en naar anderen zeer tolerant zijn.

Terug naar artikelen per soort.

Terug naar kweekverslagen.