Groenneklori.

De groenneklori, Trichoglossus haematodus haematodus, een beginnerslori?


Inleiding
Heel vaak wordt de groenneklori betiteld als een beginnerslori. Maar wat is een beginnerslori?
Onder de definitie beginnerslori wordt in het algemeen bedoeld een soort die makkelijk te verzorgen is, snel tot broeden over gaat en niet te duur is. Dus een soort om ervaring mee op te doen. Goed beschouwd komt het er dan eigenlijk alleen op neer dat de soort relatief goedkoop is. Het grootste deel van de soorten die in avicultuur worden gehouden zijn niet moeilijker cq makkelijker te houden dan de groenneklori. In het algemeen gaat dit ook op voor het snel tot broeden over gaan. Mij zijn groenneklori paren bekend die broedrijp waren maar toch absoluut niet van plan waren om voor nakomelingen te zorgen terwijl bijvoorbeeld mijn eigen paar Rajahlori’s, Chalcopsitta atra insignis, binnen een maand na aanschaf overgingen tot broeden. Bijna alle Trichoglossus soorten gaan snel tot broeden over. Maar ook sommige Charmosyna soorten zoals de roodflanklori, C. placentis en roodstuitlori, C. rubronotata zijn meestal behoorlijk productief. Bij de Chalcopsitta en Lorius soorten zien we vaak een langere wachttijd.

Lezen we dit terug dan zou veelal de prijs de reden zijn dat een groenneklori als beginnerslori betiteld wordt. Het gevaar schuilt erin dat zo’n soort al gauw aan de kant wordt geschoven om plaats te maken voor een wat exclusievere soort.

Zelf zie ik de Lori van de Blauwe Bergen, Trichoglossus h. moluccanus, als een meer geschikte vogel om mee te beginnen. Deze ondersoort wordt al ongeveer 40 jaar Australië niet meer uitgevoerd en zodoende kunnen we putten uit vele generaties. Je komt dan ook maar zelden paren tegen die niet binnen twee jaar tot voortplanting overgaan. Ze kweken dan in het algemeen ook probleemloos.

Taxonomie
In de derde editie van 1997 heb ik een zeer uitvoerig artikel over de regenbooglori’s gepubliceerd. Dit artikel besloeg een heel nummer, inclusief foto’s van 16 kop/borststudies. Voor de geïnteresseerde wil ik nog vermelden, dat via de redactie deze editie nog in alle drie talen te verkrijgen is. De beschrijvingen in dit artikel zijn gedaan aan de hand van  gedegen studies van vele balgen in diverse Natuur historische musea in Nederland , Engeland en de USA en met behulp van de beschikbare literatuur zoals van Cain (1955).
Dat dit alles geen overbodige luxe is, blijkt uit diverse artikelen die ik in verscheidene bladen heb gelezen. Zelfs artikelen die specifiek over de ondersoorten gaan, staan vaak bol van de fouten. Dit is te wijten aan het feit dat men afgaat op de beschrijvingen die men in boeken zoals “Parrots of the World” leest. Men moet dan zelf interpreteren wat de schrijver bedoeld. Vaak gaat het dan van: deze ondersoort is iets donkerder dan de voorgaande etc. Echter de voorgaande wordt dan ook weer vergeleken met een andere zodat het er niet eenvoudiger op wordt. Ook kruisingen worden vaak door auteurs niet als zodanig herkend en krijgen dan ook een naamkaartje mee, soms zelfs van een ondersoort die in het geheel niet wordt gehouden omdat deze uit een gebied komt waar niet van geïmporteerd wordt.

Even terugkomend op de hoofdrolspeler van dit verhaal. De groenneklori is een vrij makkelijk  te herkennen ras. De andere regenbooglori ondersoorten zijn goed van deze nominaatvorm te onderscheiden.
Toch heb ik vogels gehad (eerst als foto’s toegestuurd) die mij ernstig aan het twijfelen brachten. Normaal ga ik dan zelf eerst eens na wat het beslist niet kan zijn.
Een van de makkelijkste kenmerken is om de nekband te vergelijken in relatie met de eventuele dwarsstreping op de borst. Anders dan de naam doet vermoeden is de nekband niet groen maar veel meer richting geel. Kijken we naar de borststreping dan kennen we respectievelijk de volgende ondersoorten met een borststreping:

1  Groenneklori,      T. h.heamatodus
2  Rosenberglori,     T. h.rosenbergii
3  Manamlori,    T. h. intermedius
4  Misimalori,    T. h.micropteryx
5  Blauwkoplori,    T. h.caeruleiceps
6  Zwartkeellori,    T. h.nigrogularis
7  Brook’s lori,    T. h.brooki
8  Massenalori,    T. h.massena
9  Deplanch lori,    T. h.deplanchii
10 Olijfgroene lori,     T. h.flavicans
11 Ninigolori,        T. h.nesophilus

De Rosenberglori is zeer makkelijk te onderscheiden door zijn zeer zware borsttekening en zeer brede nekband. De andere rassen met een meer gele nekband zijn de nummers 5,6,7,10 en 11. De nummers 10 en 11 komen van eilanden waar geen vogels van mogen worden geëxporteerd en daarom komen we ze niet in onze volières tegen. De nummer 7 is praktisch gelijk aan 5 en 6 en wordt tegenwoordig eigenlijk niet meer als ras erkend. De nummers 5 en 6 hebben doorgaands een veel smallere borststreping en een blauwere kop dan de groenneklori. Ook is de borst in de meeste gevallen minder diep gekleurd, meer naar het oranje toe. De nummers 4,8 en 9 zijn kleiner dan de nominaat en hebben  een groenige nekband die ook nog smaller is. De Misimalori heeft een nekband die in sommige gevallen  meer geel in zich kan dragen maar ook smaller is. De vogel zelf is kleiner en behalve dat, komt deze ondersoort  voor in oostelijk Nieuw-Guinea alwaar geen lori’s vanuit geëxporteerd worden (of het moet met speciale toestemming zijn).
Van de Manamlori heb ik diverse balgen mogen bestuderen maar bij de meeste kon ik nauwelijks een onderscheid maken tussen deze en de nominaatvorm. Dit ras zou wat meer blauw op de wangen hebben en minder op het voorhoofd.

Bij mij trad verwarring op toen ik een paar foto’s te zien kreeg van uitgekleurde jongen die vanuit een importpaar waren gekweekt. Deze vogels heb ik later ook in levende lijve gezien. De vogels hadden een smaller borstschild, bestreping wat donkerder, kleur van de borst  met een zalmtint erin, buik normaal groen en nekband ook niet afwijkend. Echter niet alle jongen die ik later nog gezien heb, waren duidelijk anders. Eigenlijk paste geen enkele beschrijving bij deze vogels. Aangezien deze vogels nog de groenneklori het meest dicht benaderde, denk ik dat het wat afwijkende gekleurde exemplaren waren. Gezien het enorme verspreidingsgebied kunnen we natuurlijk variatie verwachten. Dit klopte ook met de balgen die ik in de musea gezien heb. Mogelijk dat de oorspronkelijke oude vogels van Nieuw-Guinea afkomstig waren aangezien de groennekloris van het vaste land naar het oosten toe meer variëren in tekening, kleur en formaat.

Beschrijving
Lengte ca 26-27 cm.
Gewicht ca 130-145 gram
Mannetjes kunnen soms wat grover gebouwd zijn dan vrouwtjes; geslachtsbepaling door DNA onderzoek of endoscopie is toch noodzakelijk.
Ondanks het feit dat  iedere loriliefhebber de groenneklori kent, geef ik ter completering een  beschrijving.
Beide geslachten zijn gelijk gekleurd.
Voorhoofd, kroon, wangen en kin diepblauw – resterende deel van de kop zwartbruin – nekband groengeel, vaak zien we enkele rode veertjes aan de (meestal) zijkanten van deze band  – borst rood met blauwzwarte dwarsstrepen – buik groen tot donkergroen – dijveren en onderstaartdekveren groengeel met donkergroene dwarsstrepen – de basis van de veren van de mantel is rood, maar dit is meestal alleen zichtbaar wanneer de vogel de kop naar voren buigt – ondervleugeldekveren oranje – vleugels en staart groen – snavel oranjerood tot rood – iris oranjerood – poten donkergrijs tot grijsgroen.

Jonge vogels zijn minder scherp en minder fel gekleurde replica’s van de ouders. De snavel is de eerste weken na het uitvliegen nog donkerbruin later langzamerhand verkleurend naar oranjerood.

Distributie
De groenneklori kent een zeer groot verspreidingsgebied en wel als volgt:
Buru, Ambon, Ceram, Cearmlaut, Goram, Warubela en de westelijke Papua eilanden, de eilanden in de Geelvink Baai behalve Biak, westelijk Nieuw-Guinea vanaf de noordkust tot aan de Humboldt-Baai tot aan de bovenloop van de Fly rivier in het zuiden.

Gedrag en Status
De groenneklori komt gelukkig nog steeds in het grootste deel van zijn verspreidingsgebied vrij algemeen voor. Ze vallen vaak op door het lawaai dat ze maken wanneer ze in groepen rondtrekken. Wie ooit het neefje van de groenneklori, de Lori’s van de Blauwe Bergen, gezien en gehoord heeft in Australië in de vrije natuur begrijpt dat ze behoorlijk luidruchtig kunnen zijn en vaak wat aan het ruziën zijn met soortgenoten. Andere grote nectareters, zoals Frairbirds, willen zich nog wel eens verdedigen tegenover een lori maar meestal komt er dan al gauw hulp van een tweede lori waarna de “vreemdeling” er wel vandoor moet gaan.

Mivart schreef in zijn boek in 1895 dat de groenneklori zeer algemeen was en vaak in groepen fourageerde in de toppen van bomen waar het zich te goed deed aan casuarinazaden, fruit en nectar. Ook Brian Coates schrijft in 1985 dat de groenneklori mogelijk de algemeenste soort papegaaiachtige is van Nieuw-Guinea. Het meest worden ze gezien in open gebieden, vooral de randen van regenwoudgebieden. De open gebieden preveren ze in hun hele verspreidingsgebied boven dichte wouden.

Al zijn ze nog steeds algemeen, toch lopen ze terug in aantal en dat wordt vooral veroorzaakt door vangst en door de verkleining van hun leefgebied door houtkap. De zich nog steeds uitdijende mijnbouw zorgt verder ook nog voor inkrimping en verstoring van hun leefgebied, alhoewel groenneklori’s zich redelijk aanpassen aan menselijke activiteiten.

Avicultuur
Hiervoor wil ik o.a. verwijzen naar het tweede deel over de Rosenberglori.
De status in avicultuur is niet te vergelijken met die van de Rosenberglori. De laatste is maar ooit sporadisch ingevoerd terwijl de groenneklori met grote regelmaat is ingevoerd. Waarschijnlijk is het de meest geëxporteerde lori van Indonesië. Dit natuurlijk dankzij het grote verspreidingsgebied en het feit dat het een algemeen voorkomende vogel is.

Het is te hopen dat de groenneklori de aandacht blijft krijgen die het verdiend. Het is een lori die misschien niet meer zo opvalt omdat we het zo goed kennen maar het blijft een mooie vogel die zeker de moeite waard is om mee te kweken.

Door Jos Hubers, Nederland.

Terug