Josephinelori.

De Josephinelori (Charmosyna josefinae).

Door Jos Hubers.

Uiterlijk: De josephinelori behoort met de stellalori (Charmosyna papou), tot de grootste charmosynasoorten. De totale lengte is 24 cm, wat beduidend minder is dan de 42 cm van de stellalori. Dit verschil wordt voornamelijk veroorzaakt door de zeer lange staartpennen van de stellalori. De kleur van de basis van de staart is bij de Josephinelori rood en bij de Stellalori groen.Ook wanneer de staart afgebroken zou zijn zal de vogel nog goed te herkennen zijn. Het gewicht van de Josephinelori bedraagt ca. 75 gram. Dit is ongeveer 25 % minder dan de Stellalori. Van de Josephinelori is geen melanistische vorm bekend zoals bij sommige ondersoorten van de stellalori. Voor de beschrijving verwijs ik naar de foto’s. Het vrouwtje onderscheidt zich door de gele stuit en flanken. Verder heeft de Josephinelori een zwarte onderbuik.

Uiterlijk: De josephinelori behoort met de stellalori (Charmosyna papou), tot de grootste charmosynasoorten. De totale lengte is 24 cm, wat beduidend minder is dan de 42 cm van de stellalori. Dit verschil wordt voornamelijk veroorzaakt door de zeer lange staartpennen van de stellalori. De kleur van de basis van de staart is bij de Josephinelori rood en bij de Stellalori groen.Ook wanneer de staart afgebroken zou zijn zal de vogel nog goed te herkennen zijn. Het gewicht van de Josephinelori bedraagt ca. 75 gram. Dit is ongeveer 25 % minder dan de Stellalori. Van de Josephinelori is geen melanistische vorm bekend zoals bij sommige ondersoorten van de stellalori. Voor de beschrijving verwijs ik naar de foto’s. Het vrouwtje onderscheidt zich door de gele stuit en flanken. Verder heeft de Josephinelori een zwarte onderbuik.

Er zijn 3 rassen van de Josephinelori beschreven. De verschillen zijn echter niet erg duidelijk.
1.    Charmosyna j. josephinae: het vrouwtje van dit ras heeft een groene stuit.
2.    Charmosyna j. sepikiana: het vrouwtje bezit een gele stuit en flanken, verder heeft dit ras een meer uitgebreide zwarte plek op de buik en is het zwart op de kop iets grijs gestreept.
3.    Charmosyna j. cyclopum: deze is gelijk aan de nominaatvorm echter het zwart op de buik en het blauw achter op de kop is niet of heel zwak aanwezig.
Uit de bovenstaande beschrijving zou men kunnen afleiden dat de vogels in ons bezit allemaal van het ras C.j. sepikiana zijn, gelet op het feit dat alle Josephinelori’s in avicultuur een gele stuit hebben. Waarschijnlijk is het toch niet zo eenvoudig. Studie van balgen in het Britse natuur Historische Museum toonde aan dat de nominaatvorm niet goed te onderscheiden is van de C.j. sepikiana. De meeste vrouwtjes van de nominaatvorm hadden niet een groen, maar een groengele tot gele stuit. Ook de andere verschillen waren niet zo duidelijk aanwezig.
Verdere studie in andere musea zou mogelijk nog het een en ander kunnen ophelderen.

Verspreiding en habitat:
De josephinelori komt uitsluitend voor op Nieuw-Guinea. De nominaatvorm heeft zijn domicilie in het gebergte van de Vogelkop tot aan het Sneeuwgebergte. Dit ligt in het uiterste westen van Nieuw-Guinea. Het ras sepikiana komt voor in het centrale gedeelte van westelijk en midden Nieuw-Guinea. De laatste, de cyclopum, vindt men in het Cyclopsgebergte. Dit gebergte bevindt zich ongeveer in het midden van Irian Jaya ( het Indonesische gedeelte van Nieuw-Guinea). Josephinelories komen voor in beboste gebieden op een hoogte van 800 tot 2000 m. Een enkele keer worden ze in lager gelegen gebieden aangetroffen. Gelukkig zijn ze op de meeste plaatsen nog vrij algemeen. Men treft ze meestal aan in paren of in kleine groepjes. Ze worden nog wel eens tezamen met de zwartstuitlori, (Charmosyna pulchella) gezien.

Voeding in de natuur:
Zoals bij de meeste lori’s bestaat ook bij de Josephinelori het basisvoedsel uit stuifmeel en nectar. Vermoedelijk worden ook zachte vruchten geconsumeerd. Kroponderzoek toonde stuifmeel en bloemknoppen aan.

Status in avicultuur:
In het begin van de zeventiger jaren werden Josephinelori’s voor het eerst ingevoerd. Waarschijnlijk is er voor het eerst in 1979 in Duitsland mee gekweekt. Op het ogenblik zijn er een redelijk aantal kweekresultaten behaald, met name in Duitsland. In Engeland is het aantal zeer klein en de daar aanwezige vogels zijn hoofdzakelijk van het mannelijke geslacht.

Accommodatie:
Zoals andere lories en met name de Charmosyna’s verstaan de Josephinelori’s de kunst hun ontlasting ver weg te spuiten. Het is daarom verstandig om de vogels in een redelijk lange vlucht van minstens 2,5 m. te huisvesten. Op deze manier kan men de zitstokken ver genoeg van de achterwand bevestigen. Ook de hoogte van de plaatsing is belangrijk. Na wat experimenteren kunnen we op deze manier voorkomen dat niet steeds de achterwand besmeurd wordt, wat werk en ergernis bespaard. Zelf heb ik Stellalori’s in een grote beplante volière gehouden. Zowel de Stellalori als de Josephinelori lenen zich bij uitstek hiervoor. Ze vernielen bijna niets aan de beplanting en het onderhoud is minimaal. Het zijn vogels die hierin erg mooi tot hun recht komen. In landen als Australië zouden ze ook goed in de zogenaamde “Nigel” kooien gehouden kunnen worden. Deze kooien zijn helemaal van gaas en worden buiten neergezet met de bodem een eind van de groen. Het zijn sterke vogels die wel tegen een paar graden vorst kunnen. Uiteraard moeten we wel zorgen dat ze ook vorstvrij kunnen zitten en dat het voer niet kan bevriezen.

De kweek:
Zoals eerder vermeld, wordt er momenteel met de Josephinelori redelijk gekweekt. Door de diverse liefhebbers worden verschillende nestkasten gebruikt. De meeste nestkasten hebben een bodemoppervlak van ongeveer 15 × 15 cm. en een hoogte van ongeveer 40 cm. Nestkasten met een groot bodemoppervlak worden nog al eens als toilet gebruikt. Een invlieggat met een doorsnede van 6 cm. is ruim voldoende. Aan de binnenzijde, onder het invlieggat, kan men eventueel nog een laddertje van gaas maken. Houtkrullen kunnen bijvoorbeeld als bodembedekking gebruikt worden. Als de Josephinelori een jaar oud is, kunne de eerste aanstalten tot broeden al gemaakt worden. Hun legsel bestaat normaal, zoals bij de meeste lori’s ui 2 eieren. Ze meten gemiddeld 23 × 20 mm. en ze wegen ongeveer 5 gram. Omdat deze lori net zoals ook de Stellalori vaak de eerste dagen niet of nauwelijks broedt, is de broedduur moeilijk vast te stellen. Door een broedmachine uitgebroed, duurt het ongeveer 25 dagen, door de ouders ongeveer 28 dagen. Zowel het mannetje als het vrouwtje nemen aan het broedproces deel. De jongen worden geboren met een weinig wit dons. Na ongeveer 8 weken vliegen ze uit. Op dat moment lijken ze al veel op de volwassen vogels. Jonge vrouwtjes zijn echter vaak moeilijk te herkennen. De stuit wordt bij veel vrouwtjes pas volledig geel op een leeftijd van zo’n 5 tot 6 maanden. Sommige vliegen uit met een volledig rode, andere met een roodgeel gevlekte stuit.

Voeding:
Josephinelori’s houden niet van te dikke pap. Het komt dan nog wel eens voor dat ze elkaar besmeuren. Als voeding kunnen we de zogenaamde kant en klare voedingsproducten nemen, of bijvoorbeeld het recept overnemen van een kweker die zelf het voer samenstelt en goede kweekresultaten boekt. Dit zal de praktijk uit moeten wijzen. Zo nu en dan een honingdrankje stellen ze ook zeer op prijs. Zoals alle lori’s zijn ook de Josephinelori’s erg speels. Een tak met bijvoorbeeld knoppen en af en toe een stukje fruit geeft ze wat afleiding. Iedereen die Josephinelori’s houdt, wens ik een succesvolle kweek met deze vogels toe, zodat  de toekomst van deze prachtige vogel verzekerd is.