De Obi lori deel 2.

De Obilori, Eos squamata obiensis), nog steeds een rariteit in avicultuur.

Door Jos Hubers.

Beschrijving:
Lengte ca. 24 cm. Gewicht 100-120 gram. Veelal wordt verondersteld dat de Obilori kleiner is dan de meer bekende Bechsteinlori (Eos squamata riciniata), meestal gewoon violetneklori genoemd. Zelf heb ik geen duidelijk formaatverschil waargenomen bij de vogels. Het aantal vogels in mijn eigen collectie als ook bij andere liefhebbers is voldoende om een beoordeling te geven. Het is zeer waarschijnlijk dat wanneer men de vogels niet samen ziet, (de meeste liefhebbers houden niet beide ondersoorten), de Eos s. riciniata door het andere kleurenpatroon wat groter oogt. De gemiddelde vleugellengte en staartlengte die door J. Forshaw in “Parrots of the World”, geeft ook geen aanleiding te veronderstellen dat de Obilori kleiner is. Obilori is hoofdzakelijk rood.

De buik en onderstaartdekveren zijn paarsblauw. De randen van de vleugelpennen zijn zwart, schouderveren zijn zwart, snavel oranje, poten grijs en iris oranje-rood. Jonge vogels hebben een variabele hoeveelheid blauw waardoor ze een gevlekt uiterlijk hebben. De voorzijde kan een blauwgeschubd uiterlijk vertonen. De kop is meestal nog wel geheel rood. Worden de jongen geplukt door hun ouders dan vertonen ze zelfs nog veel meer blauw dat pas na de rui verdwijnt. Ze zijn dan niet te onderscheiden van jonge violetneklori’s.

Distributie en Status:
De Obilori wordt gevonden op een van de noordelijkste Molukse eilanden nl. het eiland Obi. Deze ondersoort schijnt niet meer zo algemeen te zijn dan men eerst dacht. Lambert suggereert dat de aantallen gedaald zijn tot minder dan 7000 stuks, terwijl eerst nog gedacht werd in aantallen van ver boven de 10000.
Status in Avicultuur:
De Obilori is relatief nog niet zo lang bekend in avicultuur. Eind jaren tachtig werd deze ondersoort voor het eerst in een beperkt aantal landen ingevoerd. Dat het nog steeds een vrij onbekende vogel is, leid ik af uit de vragen die mij regelmatig door bezoekers gesteld worden. Nu, ongeveer vijftien jaar na introductie, is het tijd om eens te kijken hoe het er voorstaat. De eerste importen riepen al meteen vragen op. In geen enkel boek waren goede afbeeldingen te vinden noch beschrijvingen. Zelfs “Parrots of the World” geeft geen duidelijke beschrijving. De beste uitleg en beschrijving (maar dan zonder kleurplaat) vindt men in “The Avifauna of Misso0l”van Dr. G.F. Mees. Dit wetenschappelijk werkje is uitgegeven in 1965 door het rijksmuseum van Natuurlijke Historie te Leiden. De beschrijvingen zijn gedaan aan de hand van de aanwezige balgen in dit museum. Zelf heb ik de meeste van die balgen een aantal jaren geleden gefotografeerd. Zover na te gaan werden de eerste vogels in Groot-Brittannië geimporteerd.Waarschijnlijk niet lang daarna werden Obilori’s in Zuid-Afrika ingevoerd. Het Loro Parque op Tenerife kreeg ook in die tijd hun eerste paar. In de USA zijn een zeer klein aantal ingevoerd geweest. Groot-Brittannië was in het begin het enige land van Europa waar een redelijk aantal Obilori’s te vinden waren. Op het vasteland waren er wel enkele aanwezig maar zeer kleine aantallen. De situatie is nu enigszins veranderd. Enige paren Obilori’s zijn in de negentiger jaren vanuit Groot-Brittannië naar Nederland gekomen. He aantal was niet groot (totaal ongeveer 5 paartjes, merendeels jonge vogels) maar toch genoeg om een eerste aanzet te geven. Ik heb ook niet stilgezeten en heb nog nieuwe bloedlijnen via Zuid-Afrika en Singapore kunnen bemachtigen. Hier en daar zijn er nog wat verdwaalde vogels opgespoord zoals een vrouwtje in Duitsland die als kooivogel gehouden werd. Hiervoor heb ik een partner naar Duitsland gestuurd en later heeft het paar nog voor 5 jongen gezorgd waarna het vrouwtje helaas overleed. In Groot-Brittannië lijkt het alsof het aantal vermindert is. Dit is niet te wijten aan het kleine aantal dat een aantal jaren geleden naar Nederland is gekomen maar eerder doordat de liefhebberij recentelijk een terugval kende. Op het ogenblik lijkt deze zich te stabiliseren. Niet zo lang geleden is een kweekrijpe Obilori naar Groot-Brittannië teruggegaan om daar een paar te vormen. Al met al zijn er nu een redelijk aantal goed kwekende paren in Nederland aanwezig. Deze zijn ontstaan met behulp van mijn eigen gekweekte vogels en aangevuld met nieuwe bloedlijnen uit het buitenland. De interesse is redelijk groot zodat het niet moeilijk is om het bestand te spreiden over diverse kwekers. Het risico dat een dergelijk klein bestand aan bijvoorbeeld een ziekte ten onder gaat is dan minimaal. In Duitsland is het echter nog steeds een grote zeldzaamheid en ook in de rest van Europa ziet men deze ondersoort weinig. België kent een aantal paren als ook Denemarken. Verder zijn er nog minimale aantallen in Italië en Frankrijk. In Zuid-Afrika is de Obilori redelijk vertegenwoordigd. Volgens Jim Taylor (Canada) zijn de aantallen in Noord-Amerika nog steeds heel laag, met weinig goed kwekende paren en een permanent overschot aan mannen.
De Kweek:
Uiteraard is de kweek niet anders dan bij de gemiddelde lori het geval is. Als het allemaal meezit kan het gebeuren dat op een leeftijd van nog geen 1,5 jaar de eerste eieren gelegd worden. Meestal zal het echter zo’n twee jaar duren voordat er aanstalten gemaakt worden. De broedduur is ca. 25 dagen. Jonge pasuitgekomen kuikentjes zijn bedekt met lang wit dons en wegen doorgaans een kleine 5 gram. Ze vliegen uit na ongeveer 60 dagen. De voeding is niet anders dan bij de doorsnee lori. De paren die ik zelf heb als ook de paren bij diverse andere liefhebbers zijn in het algemeen redelijk productief. Daarmee kweekt deze lori niet moeilijker dan de normale rode lori, (Eos b. Bornea). Mijn eerste kweek dateert uit 1993. Het betreffende paar was zeer productief alleen lag de verdeling van de geslachten nogal scheef. Het aantal gekweekte mannetjes overtrof ruimschoots de vrouwtjes. Bij nog eens twee andere paren heb ik regelmatig jongen gekweekt. Ook mijn eerste generatie jongen hebben bij andere kwekers weer voor goede resultaten gezorgd. Zoals eerde vermeld zijn de jonge vogels in een later stadium verder onverwant gemaakt door samenwerking met kwekers uit andere landen. Dit bewijst weer eens dat samenwerking op internationaal niveau onontbeerlijk is.
Conclusie:
Het aantal Obilori’s in avicultuur is nog steeds dusdanig laag dat goede samenwerking geboden is. Gelukkig zijn de bestanden die ik ken allen raszuiver en zijn ook de aantallen voldoende om de toekomst redelijk optimistisch tegemoet te zien. Aangezien het een vogel is met een schitterende kleur en een mooi formaat denk ik dat deze voor veel liefhebbers in aanmerking komt om te proberen er mee te kweken.