Viooltjes lori deel 2.

De viooltjeslori, Trichoglossus  goldiei Psitteuteles goldiei , terug van weggeweest?

Door Jos Hubers, Nederland


Inleiding
Deze soort wordt, samen met een aantal rassen van de regenbooggroep Trichoglossus haematodus, gezien als de ideale beginnerslori. Goedkoop en makkelijk volgens de gemiddelde lorikweker.

Dit predikaat heeft ertoe geleidt dat de viooltjeslori niet meer zo’n algemene verschijning is als wat het ooit was. Vele kwekers hebben in het verleden deze soort in de uitverkoop gedaan om plaatst te laten maken voor meer “exclusieve” soorten.

De viooltjeslori wordt al jaren niet meer uit Indonesië ingevoerd wat dus betekend dat we het moeten hebben van nakweekvogels. Het is dan ook allang niet meer zo dat wanneer je een paartje zoekt je even een avondje gaat rondbellen om vervolgens in het volgende weekend ergens een paar vogels op te halen. Dat wil gelukkig nog niet zeggen dat het (in Europa) een zeldzaamheid is maar er zal toch meer moeite gedaan moeten worden dan in het verleden.
De titel slaat dan ook op de toegenomen interesse voor deze mooie kleine lorisoort.

Taxonomie
Het is nog steeds onduidelijk tot welk geslacht de viooltjeslori behoord. In de meeste literatuur wordt deze lori tot het geslacht Trichoglossus gerekend. Door sommige taxonomisten wordt de viooltjeslori in het geslacht Psitteuteles  ingedeeld. Volgens Simon Joshua, die in het begin van de jaren negentig chromosomenonderzoek bij lori’s heeft uitgevoerd, is het chromosomenpatroon bij de viooltjeslori anders dan van de andere Trichoglossus soorten. Omdat er nog geen definitieve eensgezindheid is houd ik het voor dit artikel op de naam genoemd in de titel.
Er zijn geen ondersoorten van bekend. Wel is er een variatie in formaat wat logisch is voor een soort die zo’n groot verspreidingsgebied heeft.

Beschrijving
Lengte ca 19 cm.
Gewicht 55-65 gram
De viooltjeslori is overwegend groen met een rood voorhoofd en kroon. De wangen zijn lilakleurig gemengd met een variabele hoeveelheid blauw. De kroon is afgezet met een blauw bandje. Over de gehele voorzijde, hals en onderstaartdekveren  is de vogel met kleine streepjes, die in de lengterichting lopen, versierd. Deze streepjes zijn het breedst op de borst. De snavel is zwart (al andere Trichoglossus soorten hebben oranjerode snavels),  de ogen donkerbruin en de poten lichtgrijs.

Geslachtsonderscheid is soms met enige ervaring vast te stellen. De kop en snavel van de mannetjes zijn meestal wat grover gebouwd en de rode kleur is wat uitgebreider.
Een ander mogelijk verschil is het intensiteitsverschil in bestreping op de onderbuik. Mannetjes vertonen vaak maar een geringe bestreping (soms zelfs bijna geheel afwezig) op de buik; de meeste vrouwtjes daarentegen zijn op die plaats zwaarder bestreept. Tot heden heb ik nog geen vrouwtjes gezien met bijna geen bestreping op de buik. Wel vind men regelmatig vogels met een matige bestreping die op dit kenmerk verder niet op geslacht te beoordelen zijn en waarvoor het aan te raden is ze door DNA analyse of via endoscopie te laten onderzoeken.

Jonge vogels zijn doffe replica’s van hun ouders. Een belangrijk onderscheidt is de kopkleur. De rode kleur op het voorhoofd is maar in heel geringe mate aanwezig. De neusdoppen en oogringen zijn witachtig gekleurd.

Voorkomen in de vrije natuur
Viooltjesloris kunnen we aantreffen door het gehele centrale bergland van Nieuw-Guinea en in de bergen van Huon Schiereiland.
In het algemeen worden ze gezien op hoogten tussen de 1500 en 2800 meter al zijn ze ook wel op een hoogte van 700 meter waargenomen.
Op sommige plaatsen, zoals rond Port Moresby (de hoofdstad van oostelijk Papua Nieuw Guinea), zijn ze vrij algemeen maar op de meeste plaatsen zijn ze schaars. Doordat ze buiten de broedtijd veel rondtrekken en dus een nomadisch leven leiden is het echter moeilijk aantallen te schatten.
Er zijn geen bedreigingen in de vrije natuur bekend die hun aantallen zou kunnen aantasten.

Avicultuur
Zoals al in de inleiding is geschreven is de viooltjeslori niet meer die algemene verschijning die het ooit is geweest. Aan de populariteit zal het nu niet liggen, zelf word ik regelmatig benaderd voor viooltjeslori’s. Dit komt deels doordat steeds meer liefhebbers kampen met o.a. ruimtegebrek. In de moderne maatschappij woont men steeds dichter op elkaar wat ervoor zorgt dat menigeen het moet doen met een kleine tuin of met buren die het geluid van de vogels niet op prijs stellen. De vraag naar kleine tot middelmatige lori’s is dan ook gestegen, althans met zekerheid in Nederland.

De viooltjeslori is dan ook voor bijna iedereen een, in zekere zin, ideale lori. Een mooi formaat, mooi getekend, in het algemeen niet agressief en zeker geen herrieschopper. Het gedrag is min of meer ingetogen, zeker niet zo fel als bijvoorbeeld de geelgroene lori, Trichoglossus f.flavoviridis. Ik heb regelmatig eenlingen bij andere soorten als gezelschap gehad. Dit leverde nooit noemenswaardige problemen op.

Diverse liefhebbers hebben de viooltjeslori ook in groepen gehouden. De heer Beswerda (1981) schrijft: “In 1978 kwam ik na veel moeite voor het eerst in het bezit van een paartje van deze uitermate vriendelijke vogeltjes en vanzelfsprekend was mijn hoop erop gevestigd er kweekresultaten mee te behalen. Helaas ging na enkele maanden het popje door onbekende oorzaak dood en moest ik weer alles in het werk stellen er een nieuw exemplaar bij te krijgen.
Dit gelukte echter vrij snel doordat ik bij een importeur verscheidene exemplaren tegelijk kon kopen, die ik alle bij mijn overgebleven man in de volière plaatste. Het duurde toen ongelooflijk kort, slechts enkele dagen, voor ze paartjes begonnen te vormen die steeds bij elkaar zaten en elkaar al gauw begonnen te voeren. Ik heb na enige weken de vermeende paartjes apart gezet”.
Aangezien de kweekverslagen van de heer Beswerda altijd een compleet beeld gaven en hij niet repte over agressiviteit mogen we aannemen dat er tussen de vogels onderling geen noemenswaardige problemen waren. Waarschijnlijk waren er ook geen nestgelegenheden aanwezig. Helaas schrijft hij niet hoeveel vogels hij bij elkaar hield. Ook Rosemary Low schrijft in haar laatste werk dat er diverse voorbeelden bekend zijn van het succesvol in kolonie houden. Echter omgekeerd zijn er ook voorbeelden, wanneer er maar een vogel tussen zit die erg dominant en agressief is dan kan een poging tot een koloniekweek tot soms verwonde dieren of ergo zelfs een dood dier leiden. Zelf denk ik dat de volieres meestal te klein worden gekozen. Zelf zou ik denken aan een ruimte van minimaal 4×3 meter voor drie paren en dan ook tevens goed van takken voorzien. Ook het aantal voederplaatsen moet meer dan drie zijn en het aantal nestkasten minimaal vier.

Viooltjeslori’s zijn sterke vogels die wel wat koude kunnen verdragen. Zelf geef ik de voorkeur aan dat wanneer een lori over zowel een binnen als een buitenverblijf beschikt de laatste vorstvrij is gedurende de winter. Zoals we wel weten kan een lori gedurende het hele jaar tot broeden overgaan dus ook in het koude jaargetij. Aangezien vele lori’s de neiging hebben hun jongen te plukken is het daarom alleen al belangrijk dat de temperatuur hoog genoeg is zodat eventuele jongen niet sterven door onderkoeling. Door wat mij ten gehore komt denk ik dat het laatste nog te vaak voorkomt. De eventuele hogere stookkosten wegen niet op tegen het leed wat men zo’n jong dier dan aandoet.

Door de als maar groeiende bevolking zijn er steeds minder liefhebbers met een redelijke tuin. Voor deze catagorie liefhebbers komen viooltjeslori’s ook in aanmerking. Ik zou aan willen bevelen om toch te proberen een kooi te nemen met een minimale maat van 1,5 x 0,6 x 0,6 meter.
De nestkast die ik  gebruik is van het horizontale type en meet 25 cm. lang, 17 cm. hoog en 17 cm. diep met een invlieggat van 5 cm. doorsnede. Een L-vormig type voldoet natuurlijk ook uitstekend.

Broedrijp zijn viooltjeslori’s al op een leeftijd van een jaar. Door het klimaat in bijvoorbeeld West Europa kan het daar wat langer op zich laten wachten dan in landen met een gemiddeld warmer klimaat.

Het legsel bestaat zoals bij de meeste lorisoorten uit twee eitjes die na zo’n 22 a 24 dagen uitkomen. De primaire dons is wit wat na ongeveer 1,5 week veranderd in grijs secundair dons. Na ongeveer 12 a 13 dagen kan men de jongen ringen met een 5 mm. ring. 4,5 mm ringen worden ook wel eens gebruikt maar kunnen mijn inziens wel eens tot problemen leiden bij forsere vogels. Uitvliegen doen ze na ongeveer 60 dagen.

Een van mijn eerste ervaringen die ik U niet wil onthouden met de viooltjeslori was als pleegouders. Het paar wat ik eind jaren tachtig in mijn bezit had legde uitsluitend onbevruchte eitjes. De volgende ervaring heb ik toen opgedaan. Destijds was ik ook in het bezit van een paar Meyerlori’s, Trichoglossus flavoviridis meyeri, die de gewoonte had de jongen na het uitkomen direct te doden. Met deze wetenschap probeerde ik steeds de eitjes onder andere paren te leggen. Op een gegeven moment dag hadden mijn Meyerlori’s er al zo’n 20 dagen broeden erop zitten. De viooltjes hadden net hun tweede ei gelegd. Aangezien ik op dat moment geen geschikte kandidaten had om ergens de Meyerlori eitjes onder te leggen probeerde ik de viooltjeslori’s, ondanks dat ze net pas het tweede ei gelegd hadden. De viooltjes hadden net drie dagen gebroed toen het eerste ei van de Meyerlori uitkwam. Ondanks de extreem korte broedtijd zijn toen beide jongen door de viooltjeslori goed grootgebracht.

Viooltjesloris zijn ook qua voeding niet moeilijker dan een gemiddelde lori. Een normaal basis lorivoer voldoet uitstekend. Een succesvolle kweker in mijn omgeving voert ook enkele zonnepitten erbij terwijl andere trosgierst en graszaden bijvoeren. Fruit is natuurlijk ook aan  te bevelen.

Al met al een soort die voor iedereen geschikt is.

Literatuur
BESWERDA, F (1981); Lori’s, Zuidgroep BV Uitgevers, Best
LOW, R (1998); Encyclopedia of the Lories, Hancock House Publishers

Terug naar soorten.