Ervaringen met de Arfak lori.

Ervaringen met de Grote Arfaklori, Oreopsittacus arfaki major
Door: Kristian Schack Jensen, Denemarken

(Met toestemming overgenomen uit Lori Journaal)

Er zijn drie ondersoorten bekend van de Oreopsittacus arfaki:

Oreopsittacus arfaki arfaki
De lengte van de nominaatvorm is ongeveer 15 cm. Hij komt voor in de bergen op het Vogelkop schiereiland in West Irian.

Oreopsittacus arfaki major
Deze ondersoort is met 17 cm iets groter dan de nominaatvorm. Het uiteinde van de staart is rood in tegenstelling tot arfaki, deze heeft het rose. De vogels die ik tot heden afgebeeld heb gezien zijnde de nominaatvorm, waren altijd de major. Volgens Jos Hubers die deze soort in diverse Natuurhistorische musea bekeken heeft, is vooral de staart kleur van de nominaat duidelijk afwijkend gekleurd namelijk zeer licht rose en niet roserood zoals in de major ondersoort. Ze leven in de Snowy Mountains in West Irian.

Oreopsittacus arfaki grandis
Deze vogel lijkt op major maar hun onderbuik is niet roodbruin maar groen. Ze komen voor in de bergen van Zuidoost Nieuw Guinea tot het Huon schiereiland en de Sepik regio in het westen.

De vrouwtjes van alle drie de rassen missen het rood op het voorhoofd alhoewel ze een heel weinig rood net boven de snavel kunnen bezitten. Jonge vogels zijn iets lastiger te onderscheiden omdat beide geslachten rood op het voorhoofd hebben. Bij de jonge mannetjes is dit echter wat uitgebreider en zijn de andere kopkleuren ook scherper getekend.

Een ander opvallend gegeven is dat de Arfaklori de enige papegaaiensoort is die geen 12 maar 14 staartveren heeft.

In avicultuur is alleen de ondersoort major bekend.

Algemene informatie
Deze kleine lori is een soort die leeft in het hooggebergte en bewoont gewoonlijk mosbossen op een hoogte van meer dan 2000 meter (Low, 1998). Diverse bronnen geven aan dat ze eerder broeden in epifytische mossen dan in holten van bomen. Deze lori komt in de natuur nog vrij algemeen voor. Er is geen bedreiging voor deze soort bekend. Rond 1990 was de Arfaklori voor het eerst in avicultuur te vinden. Diverse mensen waarmee ik heb gesproken, beschrijven de wildvangvogels als zeer gevoelig. De vogels stierven vaak zonder duidelijke reden (stress?). Sommige liefhebbers konden ze in leven houden en kweken er min of meer succesvol mee. De soort is nog altijd zeldzaam in avicultuur en bij de kwekers waar ik ben geweest, schijnen er meer mannen dan poppen te zijn.

Mijn ervaringen
Ik zag deze kleine lori voor het eerst bij een Belgische lorikweker in 1996. Deze kleine vogel won direct mijn hart maar de prijs en mijn twijfel of ik ze in leven zou kunnen houden, weerhielden mij er op dat moment van een koppel aan te schaffen. Maar ik zal nooit mijn eerste indruk van die ongelofelijk mooie vogels vergeten. Toen ik eind 1998 de kans kreeg kocht ik een koppel van Jos Hubers. Een jaar later kocht ik een losse pop van een Duitse kweker en een koppel van Vogelpark Walsrode. Mijn ervaringen tot op heden beperken zich tot deze vijf vogels. De volgende bladzijden zijn dus niet gebaseerd op langdurig kweeksucces. Ik zal beschrijven hoe ik tot op dit moment mijn Arfaklori’s heb verzorgd. Ik zal tevens proberen aan te geven welke problemen ik ben tegengekomen in de twee jaar dat ik deze soort in mijn collectie heb.

Huisvesting
Mijn lori’s zijn gedurende het hele jaar binnen gehuisvest, vooral omdat ik kleinere soorten houd die gevoeliger zijn dan de grotere. Ten tweede is het ook de enige manier waarop ik de vogels kan houden in mijn woonomgeving. Ik zou het fijn vinden als mijn vogels een kleine buitenvolière hadden waar ze bij goed weer zouden kunnen vliegen. In Denemarken is het weer ‘s zomers echter zeer variabel. Hevige regenval en koude nachten komen regelmatig voor waardoor het buiten houden van kleinere soorten vaak zonder succes verloopt.

De volières waarin ik mijn Arfaklori’s houd, zijn 2 meter lang, 1 meter breed en 1 meter hoog. De Arfaklori is een zeer actieve vogel zodat hij pas tot zijn recht komt als hij veel ruimte heeft. Als ze in kleine kooien worden gehouden, krijg je niet de juiste indruk van de vogel en u zult ze niet zien spelen zoals in een grotere volière.

De bodems van mijn volières zijn bedekt met zaagsel en ik leg ook vaak mos op de bodem. Dit mos verzamel ik in een bos dat dicht bij mijn huis ligt. Ik verstrek veel dikke en dunne takken en vervang deze regelmatig. Vooral hele dunne takken, waar ze lekker op kunnen klimmen, zijn geliefd.

De kweek
Mijn eerste koppel kocht ik in oktober 1998 van Jos Hubers. Zij kregen een horizontale nestkast met een afmeting van 20x10x10 cm en een opening van 4 cm doorsnede. Binnen enkele weken sliepen de vogels in het nestblok. Het koppel was zeer harmonieus en deed alles gezamenlijk. Ze werden al snel zeer mooi en waren in een perfecte conditie. In januari 1999 zag ik dat het koppel veel tijd doorbracht in het nestblok, waarbij ze het blok ontdeden van de houtsnippers die ik er in had gelegd. Al snel lagen er twee kleine, witte eieren. De vogels werden niet verstoord door nestcontrole. Het eerste ei kwam uit na 22 dagen. Het andere ei werd na nog eens tien dagen verwijderd. Het bevatte een volgroeid kuiken dat was gestorven vlak voor het uitkomen. Het levende jong groeide prima en verliet na ongeveer 40 dagen de nestkast. Het jong had een kleine rode streep aan de voorzijde van de kruin en leek op het vrouwtje. Na drie weken heb ik het jong bij de ouders weggenomen. De vogel bleek later een pop te zijn. Dit jong was het eerste in Denemarken geboren jong van de Arfaklori.

Vrijwel op dezelfde dag dat ik het jong wegnam van de ouders stierf het vrouwtje. Dit was een zeer trieste dag. Het was al lang geleden dat ik voor het laatst een vogel had verloren en natuurlijk moest het dan ook nog dit vrouwtje zijn! Helaas was het mijn eigen fout. Dicht bij hun verblijf hing een gordijn dat de muur moest beschermen tegen de vloeibare mest van de vogels. Per ongeluk konden de vogels erbij en hebben ze er op geknaagd met als gevolg dat het vrouwtje gordijnvezels heeft opgegeten en vervolgens aan darmproblemen stierf.

Zo snel mogelijk kocht ik een losse pop van een Duitse kweker en een jong paar van Vogelpark Walsrode. Ik heb diverse combinaties geprobeerd tussen de vijf vogels die ik nu in mijn bezit had. Op basis hiervan heb ik mijn oude man gekoppeld aan het vrouwtje van Walsrode en het jonge mannetje van Walsrode aan het door mij gekweekte vrouwtje. Deze twee combinaties leken goed te gaan.

Inmiddels is het 2000 en begonnen mijn oude man en zijn nieuwe vrouwtje met broeden. Ze hadden twee onbevruchte eieren die ik heb verwijderd. Opnieuw is één jong uitgekomen en stierf het andere kort voor het uitkomen. Deze keer was het jong een man.

Op hetzelfde moment had het andere koppel twee eieren waar gedurende 10 dagen op werd gebroed. Toen verdwenen de eieren plotseling. Ik vermoed dat de vogels ze hebben opgegeten. Spoedig produceerden ze een nieuw legsel waarop ze 15 dagen broedden. Beide eieren waren bevrucht en verdwenen na 15 dagen. Mijn droom van meerdere jonge Arfaklori’s in mijn volières is dit jaar nog niet uitgekomen, maar wie weet komt dat volgend jaar. Twee koppels hebben in ieder geval laten zien dat ze willen broeden en daarom kijk ik vol vertrouwen naar de toekomst. Ik weet nu het een en ander over de dieren en heb een derde paar samengesteld. Dit bestaat uit het jonge mannetje van dit jaar en mijn losse pop.

De Voeding
Arfaklori’s hebben dezelfde behoefte aan voedsel als andere kleine lori’s. Kleine soorten hebben een voeding nodig die weinig eiwitten bevat en veel koolhydraten. Het voedsel moet ook erg vloeibaar zijn anders weigeren de vogels om het te eten. Ik heb diverse kant en klaar voeders geprobeerd maar zij waren weinig succesvol bij kleine lori-soorten. Alleen een bepaalde merkvoeding voor nectarvogels is geschikt als volledig voer. Dit voer is echter erg duur. Daarom geef ik mijn vogels een eigen mengsel waarin variatie mogelijk is door gedurende het jaar verschillende soorten fruit te gebruiken. Het bevat de volgende ingrediënten:

Voor één liter voedsel:

1 grote eetlepel Cedé lorivoeding
2 grote eetlepels gekookte appel of peer
½ wortel (gewone maat)
2 eetlepels witte suiker, honing of nectarvogel-voeding
1 theelepel sojameel
3 keer per week Nekton S

Het mengsel is eenvoudig te bereiden. Meng het sojameel en het fruit. Doe vervolgens de andere ingrediënten erbij en meng ze met behulp van een mixer. Voeg koud water toe totdat het totale volume één liter bedraagt.

Dit voedsel is het basisvoedsel voor mijn Arfaklori’s. Soms voeg ik kleine hoeveelheden van andere vruchten of groenten toe naast de reeds genoemde ingrediënten. Te denken valt aan bosbessen, banaan, kool of wat u maar hebt. Ik denk dat het belangrijk is om af en toe wat variatie aan te brengen in de voeding. Ik gebruik gekookte appel of peer omdat daardoor het voer minder gauw uitzakt. Deze vruchten pluk ik in mijn eigen tuin en ik vries ze in nadat ze gekookt zijn.

Na het leggen van de eieren geef ik de Arfaklori’s droog voedsel dat bestaat uit gelijke hoeveelheden stuifmeel en havermoutvlokken en een klein beetje calcium. Als ze jongen hebben, eten ze een beetje droog voer. Een van de dingen die mij fascineren aan Arfaklori’s is hun behoefte aan groenvoer. Het is altijd het eerste dat ze opeten. Ze kunnen enorme hoeveelheden groenvoer van verschillende samenstelling eten. In het voorjaar en in de zomer gebruik ik vooral vogelmuur. In de late herfst en winter koop ik gewoonlijk sla. Ik ben van mening dat Arfaklori’s veel groenvoer nodig hebben en dat het belangrijk is om ze dit vrijwel elke dag te geven.
Het groenvoer wordt nooit vermalen en gemengd met het vloeibare voedsel omdat de vogels veel tijd besteden aan het eten van het groenvoer en op deze manier worden beziggehouden. Omdat ik nooit stukken fruit verstrek, moet het groenvoer de vogels bezighouden. In de herfst pluk ik vaak graszaad dat ik aan de bovenzijde van de volière ophang. De Arfaklori’s eten hier wel van maar nooit in grote hoeveelheden. Als er geen graszaad beschikbaar is, gebruik ik een gewoon zaadmengsel dat ook voor kleine zaadetende vogels wordt gebruikt. Er is al vaak over gesproken of lori’s zaad nodig hebben, maar als de vogels er een beetje van willen eten, geef ik het.

Samenvatting
De Arfaklori heeft mijn hart gestolen. Het is een erg kleine vogel die altijd erg vertrouwelijk is en vaak naar je toekomt om kleine stukjes sla en dergelijke uit de hand te eten. Met de kennis die ik nu heb, heb ik geen problemen met het houden van Arfak lori’s in avicultuur. Ik hoop dat mijn verhaal meer mensen er toe zal aanzetten deze kleine vogels te gaan houden. Met de kennis die beschikbaar is bij diverse kwekers mag dit geen problemen opleveren. De aantallen zijn echter klein en we hebben goede kweekresultaten nodig om de soort in onze volières te behouden. Het zou zonde zijn als de Arfaklori daar zou verdwijnen.

Als er dingen zijn die u wilt bespreken over de Arfaklori kunt u contact met mij opnemen: Kristian Schack Jensen, e-mail: arfak@post.tele.dk.