Het houden en kweken van het lentepapegaaitje (Loriculus vernalis).

Von Heinz Lölfing, Duitsland.
Met toestemming overgenomen uit Lori Journaal.

Het lentepapegaaitje behoort tot de groep van de hangparkieten. De slechts 10-16cm. grote hangparkieten komen verspreid over zuidoost Azie in 11 soorten voor. Daar leven ze in de verschillende biotopen te weten in het regenwoud, plantages en boomgaarden, in het bamboestruikgewas en zelfs in de nabijheid van dorpen. Voor alle soorten geldt dat ze in het laagland te vinden zijn en in de onderste regionen van de bergen.
Lentepapegaaien komen voor van zuidoost India tot Bombay langs de oostkust naar Bengalen en in het oostelijke Himalayagebied. Van oost Nepal tot Asam door Birma en Thailand tot Maleisië, Cambodja, zuidoost Laos en Zuid-Vietnam.
De vogels komen ook voor op de eilanden van de Andamen en de Merqui-archipel.
Ze leven in kolonies en kleine groepen en voeden zich hoofdzakelijk met vruchten, bessen, nectar en kleine zaden.
De naam Vleermuisparkiet hebben ze te danken aan de eigenaardigheid dat ze in slaap en ruststand op de kop hangen. In deze positie eten ze en verzorgen ze hun verenkleed. Het lentepapegaaitje komt men niet zo vaak meer tegen bij de vogelliefhebber. Zonder twijfel komt dit doordat hangparkieten het nodige werk met zich meebrengen; enerzijds door het voer en de dunne ontlasting, anderzijds doordat ze nogal met het fruit knoeien.
Hangparkieten broeden in holen, waarin ze blad en schors als bodembedekking gebruiken. Het nestmateriaal wordt door het vrouwtje tussen de rug en borstveren geklemd en naar het hol getransporteerd. Het nest bevindt zich enige meters boven de grond in een boomholte. Er worden meestal 3 of 4 eieren gelegd, welke 20 a 22 dagen bebroed worden. Na ca.35 dagen verlaten de jongen het nest.
De eerste kweek in gevangenschap dateert van 1907. De laatste jaren, ongeveer vanaf 1970, worden ze in kleine aantallen bij de liefhebbers gekweekt.
Het geluid van de hangparkiet is aangenaam en zacht. Het bestaat uit een zacht gefluit en lijkt niet op het geluid van andere parkieten.
Hangparkieten vertonen geen baltsgedrag zoals andere parkieten. Het poetsen van elkaars veren of lang naast elkaar zitten heb ik nooit kunnen observeren. Wel houden de vogels steeds geluid-kontakt. Tijdens de balts fluit het mannetje langdurig. Daarna biedt hij het vrouwtje voer aan. Gedurende het baltsen vliegt hij in een typische baltsvlucht, de krachtige vleugelslagen zijn duidelijk te horen. Ook loopt het mannetje snel heen en weer over de zitstok, met de borst vooruit en de kop omhoog. De stuit en borstveren staan omhoog. Als de pop zich dan drukt, komt het meestal tot een paring, die tot 30 minuten kan duren.

Regelmatig zijn in het verleden Blauwkroontjes (Loriculus galgulus), Philippijnse hangparkieten (Loriculus p.philippensis en L.p.apicalis) en Lentepapegaaitjes (Loriculus vernalis) geïmporteerd. Af en toe worden Celebes hangparkieten (Loriculus stigmatus) en Java hangparkieten (Loriculus pusillus) ingevoerd. Andere soorten zijn zeer zelden of nog nooit ingevoerd. Jammer genoeg sterven deze vogels nogal eens aan schimmels en flagellaten.
Geacclimatiseerde hangparkieten daarentegen zijn sterk en kunnen in de buitenvoliere met een vorstvrij nachthok gehouden worden.
Hangparkieten kunnen goed met andere kleine vogels samen in dezelfde voliere. Ze zijn niet agressief en kunnen als de ruimte het toelaat in kolonie broeden.
Nadat ik meerdere jaren kleine vruchten- en insekteneters heb gehouden, heb ik in de herfst van 1989 de eerste hangparkieten aangeschaft.
Momenteel vliegen er Blauwkroontjes, Philippijnse hangparkieten en Lentepapegaaitjes in de voliëres. Tot mijn spijt is het mij, ondanks veel moeite, nog niet gelukt Celebes en Java hangparkieten te krijgen.  
Mijn hangparkieten zijn gehuisvest in 2 lichte keldervoliëres. Deze zijn 1.2m. breed, 3.6m. lang en 2.9m. hoog. De wanden zijn afwasbaar, de bodem is met houtkrullen bedekt, welke regelmatig ververst worden, Verder zijn er volop takken om de vogels te kunnen laten klimmen.
De kelder is verwarmd. De temperatuur is ongeveer 20 C. Door de grote ramen kan het zonlicht binnen komen. De luchtvochtigheid ligt bij 60-80%.
Als voeding krijgen ze vers fruit, het liefst appel (Golden Delicious), geweekte rozijnen, geraspte wortels en peren in Lori-nektar (Avesproduct) geweekt. Tevens regelmatig in kleine hoeveelheden, aardbeienjam en aardbeienyoghurt. Eivoer is altijd voorhanden en wordt in kleine hoeveelheden gegeten.   Het is zeer belangrijk regelmatig verse takken te verstrekken. Vogelmuur, wordt indien mogelijk het gehele jaar verstrekt.
De Lentepapegaaien houd ik samen met een paar Philippijnse hangparkieten. Deze beide soorten verdragen zich goed.
Als nestgelegenheid, heb ik natuurblokken van ca.40cm. lang, uitwendig ongeveer 22cm., inwendig 15cm. en een invlieggat van 4,5cm.
Vier Lentepapegaaitjes had ik bij een importeur gekocht, het waren jonge vogels welke in een goede conditie verkeerden. Helaas zijn 2 vogels gestorven. Gelukkig bleek, toen de vogels na 1 jaar op kleur kwamen, dat het een paartje was.
Het mannetje heeft een blauwe keelvlek en de rugveren hebben een goudgele glans. De stuit is bij het mannetje hel rood, bij het vrouwtje matter en donkerder. De kop van het vrouwtje is ronder en sierlijker dan bij het mannetje.
Het duurde tot eind juni 1991 voordat ze regelmatig in het broedblok gingen, het vrouwtje sleepte al het nestmateriaal naar binnen, op de bodem lag een onderlaag van houtkrullen.
Een paring heb ik nooit kunnen waarnemen.
Bij een nestcontrole op 4-7-1991 ontdekte ik 3 eieren. Het vrouwtje moest ik aan de kant schuiven om de eieren te controleren. Op 31-7-1991 was nog niet één ei uitgekomen. Ze bleken alle 3 onbevrucht.
Op 6-8-1991 was bij het vrouwtje duidelijk de dikke onderbuik te herkennen. Op 7-8-1991, precies een week nadat ik de onbevruchte eieren verwijderd had, lag het eerste weer in het nest. Het vrouwtje broedde onmiddellijk vanaf het eerste gelegde ei. Dit legsel bestond uit 4 eieren. Bij nestcontrole op 26-8-1991 ontdekte ik 2 pas uitgekomen jongen en 2 eieren. De broedtijd bedroeg 19 dagen. Op 31-8-1991 was het derde jong er en op 4-9-1991 kwam het laatste jong uit.
In de eerste weken voerde alleen het vrouwtje de jongen, het mannetje voerde het vrouwtje in de nestopening. Het vrouwtje verliet alleen het nest om haar behoefte te doen.
De vogels kregen nu extra “dierlijk eiwit” in de vorm van meelwormen.
De vogels zijn tijdens de kweek verzot op meelwormen, die ze 3x daags in kleine aantallen verstrekt krijgen.
Vooral de Lentepapegaaitjes nemen tijdens de opfok van de jongen ook kanariezaad, negerzaad en gepelde haver op. In de herfst voer ik de vogels bessen van de vuurdoorn en rozebottels.
Tot 9 dagen zijn de vogels blind en naakt, de ogen gaan op de 12e dag open. Met 16 dagen zitten ze volop in hun dons. Op de vleugels komen dan de eerste pennen door. Met 22 dagen zijn de vleugels nagenoeg vol bevederd en de veren op het lichaam komen door.
Op 28-9-1991 dus na 33 dagen vloog het eerste jong uit, 1 dag later nummer 2, op 4-10 en 6-10 1991 verlieten de beide laatste jongen het nest.
De jongen zijn totaal groen en hebben een hoornkleurige snavel. In de eerste dagen na het uitvliegen moet men voorzichtig zijn, omdat de jongen zeer wild zijn en zeer hard tegen het gaas vliegen. Hierbij kunnen ze gemakkelijk nagels verliezen, omdat ze niet meer loskomen van het gaas. Gedurende de eerste 2 weken bleek het niet noodzakelijk te zijn het blok te verschonen, de bodem was volkomen droog. Na 3 weken heb ik de bodembedekking 2x per week ververst.
Nadat op 6-10-1991 het laatste jong uitgevlogen was, legde de pop op 7-10-1991 het eerste ei van het volgende legsel in hetzelfde nest. Elke dag werd een ei gelegd, tot het legsel met 5 eieren compleet was. De jongen van de eerste ronde werden voorbeeldig door het mannetje gevoerd. Ze waren na ongeveer 14 dagen zelfstandig. Op 27-10-1991 heb ik deze jongen uitgevangen. De eerste beide jongen van het tweede legsel waren juist uitgekomen. Op 1-11-1991 waren 4 jongen uit het ei. Een ei was onbevrucht.
In grote lijnen ging de tweede ronde gelijk aan de eerste. De Lentepapegaaitjes zijn voorbeeldige ouders. Terwijl ik dit artikel schreef, stonden de jongen op het punt van uitvliegen.
Het houden en verzorgen van het Lentepapegaaitje is tijdrovend en kostbaar, en dat geldt eigenlijk voor andere hangparkieten.
De vogels verplichten ons tot optimale zorg, om deze soort voor onze voliëres te behouden.