Kweken met de Irislori.

De irislori is nog steeds een weinig voorkomende vogel in gevangenschap. Het is reeds meer dan 30 jaar geleden dat ik in het gelukkige bezit kwam van twee van deze prachtige kleine lori’s. Maar aangezien ze toen nog nergens wat uitgebreid werden beschreven had ik geen idee of het een paartje was dan wel twee vogels van hetzelfde geslacht. Volgens Forshaw in “Parrots of the World “, zou de pop bruin gekleurde irissen hebben en bij de man zouden deze oranjerood moeten zijn. Bij mijn twee exemplaren was dit verschil echter niet waar te nemen, ze hadden allebei oranjerode irissen en aangezien ze geen van beide aandacht aan elkaar besteedden was ik er van overtuigd dat ik in het bezit was van twee mannen. Na bijna anderhalf jaar speuren in binnen en buitenland, trof ik echter een liefhebber uit Zeeland die in het bezit was van ook een exemplaar van de irislori en zou volgens hem een pop zijn. Na lang aandringen lukte het mij deze (pop) van hem te kopen. Toen ik de 3 vogels echter bij elkaar in een volière zette kon ik totaal geen verschil ontdekken, noch in lichaamskleur noch in de kleur van de iris, zodat ik dacht dat ik nu wel in het bezit zou zijn van 3 mannen. Aangezien het voor mij echter een van de aantrekkelijkste soorten uit mijn collectie was, dacht ik er niet aan om ze weer te verkopen. Ik speurde wederom stad en land af om nog meer exemplaren te krijgen, steeds echter zonder resultaat. De  vogels waren met z’n drieën gehuisvest in een binnenvolière van 1m. breed, 1m. diep en 1,80m hoog, voorzien van een slaap/nestkast, van 20bij 20 en 28 cm. hoog, waarin  ze vanaf het begin de nachten gezamenlijk doorbrachten. Ze vlogen hier enkele maanden vrolijk zacht kwetterend rond, zonder zich echter om elkaar te bekommeren.

Ik zag nooit dat ze elkaar aanhaalden zoals de meeste lori’s toch wel doen en paarneigingen werden ook niet waargenomen. Daar ik eigenlijk zonder meer had aangenomen dat het alle drie mannen waren, controleerde ik ook niet regelmatig hun nestkast, wat ik bij al mijn andere koppels dagelijks deed. Toen ik op een dag alle drie de vogels uit de nestkast zag vliegen, keek ik toch maar eens in het nest en toen bleken er tot mijn verbazing en blijdschap twee eieren in te liggen, die bij nadere controle allebei bevrucht bleken te zijn. Deze beide eieren kwamen na enige tijd uit zonder dat ik vast kon stellen hoelang de broedtijd had geduurd. De jongen werden door alle drie de oudervogels gevoerd, wat vooral goed waar te nemen was toen de jongen waren uitgevlogen, dit waren dus kinderen van drie ouders. Nu was ik er in elk geval zeker van dat ik 1 pop in mijn bezit had, alhoewel ik met geen mogelijkheid wist wie de vader en de moeder van de jongen waren. Ik nam eigenlijk weer zonder meer aan dat ik 2 mannen en 1 pop in mijn bezit had. Maar ook dit was een misrekening, want toen de jongen ongeveer twee maanden waren uitgevlogen, lagen er op een gegeven moment 4 eieren in het blok en omdat ik er nog steeds van uitging dat lori’s maar 2 eieren per broedsel leggen, lag het voor mij voor de hand dat er twee poppen hun eieren hadden gelegd. Dit bleek ook zo te zijn want toen ik de z.g.n. bekkentest uitvoerde bleken bij twee van de vogels de legbeentjes wel een centimeter uit elkaar te staan en bij de derde was praktisch helemaal geen ruimte te voelen, dus dit moest wel de man zijn. Van de 4 eieren kwamen er drie uit, het vierde eitje werd tijdens het broeden, dat door beide poppen tegelijk werd gedaan beschadigd. Deze drie jongen werden ook weer door alle drie de ouders voorbeeldig grootgebracht zodat ik op dat moment in het trotse bezit was van 8 iris lori’s wat destijds vermoedelijk de enige exemplaren van deze soort in Nederland waren. Later heb ik via een liefhebber uit Duitsland nog twee exemplaren door ruilen kunnen bemachtigen zodat ik weer vers bloed in kon kweken om de vogels zoveel mogelijk onverwant te maken.

Fokke Beswerda.