Kweekervaringen met Blauwkroontjes (Loriculus galgulus).

Door Heinz Lölfing, Duitsland.
Met toestemming overgenomen uit Lori Journaal.

Het bekendste hangparkietje dat regelmatig in avicultuur wordt gekweekt, is het blauwkroontje. Wanneer men rekening houdt met een aantal punten bij de huisvesting en voeding is het kweken met deze soort niet moeilijk. Het thuisland van het blauwkroontje is zuidelijk Thailand, Maleisië, Sumatra, Borneo en de kleinere eilanden bij Sumatra en Borneo. Het biotoop van het blauwkroontje bestaat uit open bos en bosranden tot op een hoogte van 1000 meter. Je kunt ze echter ook aantreffen in fruitbomen, plantages en in gebieden waar kokos wordt geteeld. Alleen, paarsgewijs, of in kleine groepen zoeken ze naar voedsel dat ze vinden in de toppen van de bomen. Hun voedsel bestaat uit vruchten (veel bessensoorten), bloemknoppen, stuifmeel, nectar en insekten.
Het geluid van de hangparkiet is atypisch voor papegaaiachtigen. Ze laten, vooral in de paartijd, een melodieus gekwetter horen. Daarbij zetten de mannetjes hun rode keelvlek op en spreiden hun vleugels zodat de stuitveren zichtbaar worden. De alarmroep is echter luid en schril. Blauwkroontjes hebben, evenals alle andere hangparkieten, geen uitgesproken paargedrag. Ze zitten niet dicht bij elkaar en geven elkaar ook geen regelmatige veerverzorging. Ze houden echter altijd roepcontakt en gaan nooit ver bij elkaar vandaan. De mannetjes voeren de vrouwtjes niet door het omvatten van de snavel en te kokhalzen maar door het aanbieden van voer in de snavelspits. Als nest gebruiken de blauwkroontjes in de vrije natuur graag een holte in een boomstam of dikke tak. Het vrouwtje draagt, zoals bij de “onafscheidelijke” dwergpapegaaien (agaporniden), schors- en bladdelen als nestmateriaal aan, wat ze tussen haar rug, of stuitveren steekt om het te vervoeren.
Het legsel bestaat uit maximaal 5 eieren, dat ongeveer 20 dagen door het popje worden bebroed. De jongen verlaten na ongeveer 30 dagen het nest. Na de eerste rui is het verschil tussen mannetjes en vrouwtjes goed zichtbaar. Duidelijk aanwezig bij de manne-tjes is de blauwe kopvlek, waar deze bij de vrouwtjes vrijwel ontbreekt. De mannetjes hebben een rode keelvlek, de popjes niet.Het blauwkroontje wordt in het land van herkomst door de bevolking in kleine ronde kooitjes als huisdier gehouden.Een bijzonderheid in de kleur van de veren bij de popjes in avicultuur is dat ze na ongeveer 3 jaar ook rode keelvlek kunnen ontwikkelen, echter niet zo duidelijk en intensief van kleur als bij het mannetje.Ze worden dan met rijst, bananen en papaya gevoerd, waardoor ze geen lang leven beschoren zijn. Blauwkroontjes waren voor het eerst in avicultuur te zien in de Zoo van Londen in 1869. In 1907 kwam het tot enigekweekresultaten. De eerste goede kweekresultaten werden behaald door een Deense vogelliefhebber in 1968 terwijl in 1974 in Duitsland het eerste kweekresultaat werd geboekt. Tegenwoordig kweek ik met 3 koppels blauwkroontjes waarvan een paar eigen kweek uit een koppeltje importvogels. Mijn nakweek blauwkroontjes heb ik nu al  in verschillende generaties.
De blauwkroontjes, lentepapagaaitjes (Loriculus vernalis), Philippijnse hangparkieten (Loriculus philippensis), Java hangparkieten (Loriculus pusillus) en Celebes hangparkiet (Loriculus stigmatus) zijn ondergebracht in de kelder van mijn hu De temperatuur schommelt constant tussen de 18 en 20 graden celcius. Mijn vogels zijn ondergebracht in volières met de maten; 3.60 m lang, 1.20 m breed en 2.20 m hoog en kleinere volières in de maten 1.20 m lang, 0.90 m breed en 1.10 m hoog. Met de paarsgewijze onderbrenging van mijn papegaaien en parkieten heb ik goede resultaten behaald. Het houden van meerdere paartjes in grote volières, in het bijzonder bij de Philippijnse hangparkieten, kan tot hevige gevechten leiden, wat onbevruchte eieren tot gevolg kan hebben. Daarom houd ik de vogels nu per paar in kleinere volières.
De wanden van de volières zijn betegeld en daardoor gemakkelijk schoon te houden, een ‘must’ bij het houden van hangparkieten. De bodem is bedekt met zaagsel en wordt regelmatig vervangen. Aan de zijwanden heb ik houders voor zitstokken gemonteerd, zodat ook deze regelmatig vervangen kunnen worden. De luchtvochtigheid ligt, mede door het begieten van planten die buiten de volières staan, constant op 80%. Mijn vogels geef ik Lori-Nectar (AVESPRODUKT), vers fruit (in het bijzonder appels), geweekte rozijnen, geraspte wortels en kant-en-klaar eivoer als basisvoer. Zo af en toe geef ik, in niet te grote hoeveelheden, aardbeien-jam en/of aardbeienyoghurt. Tijdens het kweken van de jongen zijn niet alleen de blauw-kroontjes extra verzot op meelwormen, maar ook alle andere hangparkieten. Het is een goede aanvulling om het eiwitgehalte bij de jongen op peil te houden. Het is aan te bevelen de meelwormen niet één keer per dag te geven, maar over de dag verdeelt in kleine porties. Ook eten de blauw-kroontjes in geringe mate gemengd parkietenzaad. De herfst is een uitstekend seizoen om de vogels bessen van de vuurdoorn en van de lijsterbes te geven. Om de twee dagen krijgen ze verse wilgentakken, waarvan ze de schors afschillen en het sap in borst en rugveren verdelen. Als nest geef ik per paar twee nestblokken van boomstam, van ongeveer 40 cm hoog, met een uitholling van circa 15 cm. De nestingang is 5 cm doorsnee. In de bodem van het nest heb ik 4 gaten geboord, zodat de vochtige uitwerpselen van de vogels uit het nest kunnen lopen. Als nestmateriaal gebruik ik wat houtzaagsel. De zo ontstane nestgelegenheid wordt door de vogels vrijwel direct geaccepteerd. Van één van mijn kweekparen wil ik nog het volgende vertellen. De vogels heb ik in 1990 als jonge importvogels aangeschaft. Na ongeveer 9 maanden waren ze op kleur en konden als geaccli-matiseerd beschouwd worden. Ik heb ze toen ondergebracht in een kleinere volière van 1.20 breed, 0.90 diep en 1.10 hoog. De nestkastjes zijn zoals hierboven beschreven staat. In 1991 en 1992 hebben deze vogels geen broedaktiviteiten ontplooit. Wel baltste en voerde het mannetje de pop, inspecteerde het popje de nestblokken, maar bleven de eieren afwezig. Daar kwam in 1993 echter verandering in. In januari werd naar lieve lust gebaltst. Het mannetje zong het hoogste lied, vibreerde met zijn vleugels, zette zijn rode keel- en stuitveren op en begon het popje te voeren. In eerste instantie legde het popje, voor de avances van het mannetje, een desinteresse aan de dag. Tenslotte liet ze zich toch door hem voeren.
Hierna kreeg hij zijn zin. Ze inspecteerde de nestblokken en kwam tot de conclusie dat de aangeboden nestgelegenheid in orde was. Er werd geen nestmateriaal meer door het paartje bijeen gebracht. Regelmatig heb ik hen daarna zien copuleren. De copulatie duurde steeds zo’n 5 minuten. Van mijn aanwezigheid, op dat moment, trokken ze zich niets aan.  In januari 1993 werd het eerste ei gelegd en tot en met het leggen van het derde ei liet de pop zich amper zien. Daarna verliet ze dagelijks één keer het nest om haar uitwerpselen kwijt te raken. Het eerste legsel bestond uit vijf eieren, waarvan er vier bevrucht waren. Na 20 dagen, gerekend vanaf het leggen van het derde ei, kwam het eerste jong uit, dat zich door een zacht piepen presenteerde.
Met tussenpozen van een dag kwamen de overige drie eieren uit. Tot ongeveer de negende dag zijn de jongen blind en naakt.
Op de vijftiende dag zijn de jongen met dons bedekt en vertonen de vleugels de eerste kleine veertjes. Op de 22e dag zijn de vleugels praktisch helemaal bevederd en komen de veertjes op het lijfje te voorschijn. Na ongeveer 30 dagen vliegen de jonge vogels uit. In de eerste tien dagen voert alleen het vrouwtje de jongen, terwijl het mannetje het popje bij de nestingang het voer aanreikt. Het nest wordt door het popje alleen verlaten om haar mest kwijt te raken. De eerste twee weken na het uitkomen van de jongen was het niet nodig om het nest schoon te maken. Het nestmateriaal bleek volkomen droog te zijn. Pas na de derde week heb ik één maal per week het nestmateriaal vervangen, omdat het toen steeds doorweekt was. Regelmatige nestcontrôle bleek de vogels niet te storen. In maart is de laatste vogel van het eerste legsel uitgevlogen. In juni 1993 was er van dit paar een tweede legsel.  De vijf gelegde eieren zijn alle vijf uitgekomen en ook alle vijf de jongen zijn uitgevlogen. Van een derde legsel van vier eieren kwam één jong ter wereld, dat in december het nest verlaten heeft. Mijn tweede paar blauwkroontjes had twee onbevruchte legsels. Het derde paar produceerde drie legsels. Alle drie kwamen uit,  helaas werden de jongen in de eerste levensdagen door de ouders opgegeten. Waarom dit gebeurde is mij een vraag. Het is te hopen dat die leuke blauwkroontjes door het kweken in volières behouden blijven. Wanneer men tot het houden van hangparkieten besluit, moet men bedenken dat de verzorging en de kweek veel tijd kost. Desondanks kan ik de blauwkroontjes aan alle vogelliefhebbers aanbevelen.