Mitchelllori (Trichoglossus haematodus mitchellii).

Door Paul Tiskens Duitsland.
Met toestemming overgenomen uit Lori Journaal.

Beschrijving:
De Mitchell lori werd in het verleden maar ook tegenwoordig vaak met twee andere vertegenwoordigers uit het geslacht Trichoglossus door elkaar gehaald. Deze twee zijn de Forstenlori Trichoglossus h forsteni en de Djampealori Trichoglossus h djampeanus. Voor wat de eerste aangaat zijn de onderschij-dingskenmerken zeer gering, hierbij komt ook nog eens dat beide soorten op grond van die geringe verschillen meerdere keren met elkaar gekruist zijn en er dus ook nog eens veel bastaarden voor handen zijn.
Het duidelijkste kenmerk voor de Mitchell lori is de kleur van de kop. Deze is donkerbruin tot zwartbruin met een lichte blauw-groene bestreping. Het voorhoofd is met enkele blauw-groene veren doorweven. De tekening onder de gele nekband onderscheid zich bij de Mitchell lori, sommige dieren hebben enkele blauwe veren en bij anderen is er meer sprake van een band. In het museum van Leiden heb ik balgen gezien die totaal geen blauwe veren vertoonden. Zelf heb ik twee dieren gekweekt die in het begin een geheel groene nekband toonden maar al snel nadat ze zelfstandig waren vertoonden ze enkele blauwe veren. De oudste van deze jongen is een vrouwtje bij de andere kon nog geen endoscopie uitgevoerd worden. De borstkleur varieert van geel-oranje tot oranje-rood. Sommige lorikwekers zeggen dat dit een geslachtsonderscheid is, wat misschien ook wel ten dele zo uitkomt, maar mijns inziens is dit meer toeval. Jonge vogels zijn in de regel meer valer van kleur, kop-, borst- en buikveren zijn met groene veren vermengd. De blauwe veren in de nek zou ook een kenmerk voor jonge dieren kunnen zijn.
Bij de Forstenlori is de kop in zijn totaal meer blauw-zwart en een blauwe nekband is kenmerkend. De borst is intensiever rood van kleur. De dijen zijn geler als bij de Mitchell lori.
De Djampealori heeft een zichtbaar bredere nekband die met rode veren vermengd is.
Beide soorten, Forsten en Djampea, zijn groter dan de Mitchell.

Herkomst
De hele groep van Regenbooglori’s heeft een zeer groot ver-spreidingsgebied dat zich van Bali uitstrekt tot New Kaladonië en bijna 30.000.000 km² beslaat. Het gebied waar de Mitchell voorkomt beperkt zich tot Bali en Lambok inclusief de provincies Nusa en Tenggara Timor.

Habitat
Bali en Lombok bestaan voor een groot deel uit vulkanisch bergland tot hoogten van ca. 3.700 m begroeid met regenwouden, bergwouden en nevelwouden die bij de toppen overgaan in gras- en kruiden vegetatie. Gedeeltelijk wordt op de hellingen rijst verbouwd. De kustregionen zijn omzoomt met palmbossen, rotsfor-maties en zandstranden. Landinwaarts komen brakwater en zoetwater moerassen voor. Op grond van geografische ligging van de eilanden zijn er meer of minder infrastructurele pro-blemen.

Status
Over de populatiedichtheid is zeer weinig bekend. Bij onderzoek van de I.C.B.P. in 1989 is geen enkele Mitchell lori in de vrije wildbaan ontdekt. Waarschijnlijk zijn er enkel nog kleine rest populaties voorhanden. De hoofdoorzaak hiervan zou te maken kunnen hebben met, vroegere vogelvang, massatoerisme en ontbossing. Indonesië is rijk aan bodemschatten en ontginning daarvan is een verdere oorzaak van gevaar.
De populatie in avicultuur is eveneens klein. Het Lori-Journaal publiceerde in 1993 een oproep om een precies overzicht te verkrijgen. De uitkomst hiervan is een populatie van ongeveer 40 dieren in Europa en wereldwijd waarschijnlijk slechts 100 exemplaren.

Algemeen
Voor wat de Mitchell lori betreft, kunnen we zeggen dat het een aangename volièrevogel is, niet luidruchtig en op grond van zijn grootte ook voor liefhebbers met beperkte ruimte geschikt daar de vervuilingsgraad binnen de perken blijft. Hij is relatief robuust en weinig gevoelig voor ziektes, dus veel positieve eigenschappen.
De soort werd voor het eerst in 1871 in de dierentuin van Londen getoond en in 1880 ook in Amsterdam. Het huidige bestand is gereduceerd tot enkele liefhebbers en een paar
dierenparken. Recentelijk zijn er bij een importeur in Nederland drie Mitchell lori’s binnen gekomen maar er moet van uit worden gegaan dat dit een eenmalige uitzondering is geweest. Om de soort te kunnen blijven behouden moet een goed kweekprogramma opgezet worden.

Voeding
Voor wat de voeding in de vrije natuur betreft, zijn er geen exacte gegevens voor handen, maar men mag er van uit gaan  dat deze in grote lijnen overeen komt met die van andere lori’s. Dit bestaat voor een groot deel uit stuifmeel, pollen, nectar, groenvoer en eventueel insekten. In gevangenschap levert de bereiding van het voer geen problemen meer op. Hoewel de recepten van verschillende lorikwekers uiteen lopen, wordt nog altijd naar een patent voer gevraagd. Als beginnend kweker kan men het best diverse recepten uitproberen en dan voor de een of de andere kiezen. In het begin maakte ik een brei uit babyvoeding met verschillende toevoegingen, daarna ben ik op een kant en klaar voer overgegaan. Sinds midden 1993 gebruik ik weer een menging van zelf gemaakt voer. Hiervoor gebruik ik  de methode die de Hr Rüdiger Neff (Gefiederte Welt 1989 s 215/216 en heft 2/93 s 562), met als extra toevoeging AVES lorinectar er door. De vervuilingsgraad ligt bij deze methode iets hoger als bij alleen kant en klaar voer. Ook is de kans op schimmelvorming hoger.
s’Morgens om 06.30 uur wordt de lorinectar bereid. Een paar Mitchell lori’s krijgt hier 100 tot 150 ml van, afhankelijk van het jaargetij en de broedcycles. s’Avonds tegen 18.00 uur is de nectar zo goed als op en wordt een droogvoer verstrekt. Hiervoor worden 2 á 3 wijndruiven, zoete appel of ander fruit in kleine stukjes en 2 theelepels nectar poeder gebruikt. Door het gebruik van zoet fruit zijn bijna alle lori’s snel aan dit recept te wennen. Mijn lori’s van de blauwe bergen Trichoglos-sus h molluccanus hebben zelfs een voorkeur voor dit voer als ze jongen groot te brengen hebben. Door het verstrekken van het droogvoer wordt de ontlasting wel is waar wat vaster, maar de water opname ligt wel hoger hoewel dit echter geen grote uitwerking heeft op de vervuilingsgraad. Mij heeft het ver-strekken van droogvoer geprikkeld, omdat de vogels langer bezig zijn met de opname hiervan. Voorts wordt, al na gelang het aanbod, groenvoer uit eigen tuin verstrekt. Tevens worden regelmatig verse wilgen takken gegeven. Om de darmflora een extra steuntje te geven, krijgen de vogels iedere 2 á 3 weken en dan 2 dagen achtereen 500 ml bio yoghurt naast hun loribrei. Tegen schimmelvorming kuur ik 2 tot 3 keer per jaar met Nystatin of Moronal hiervoor zijn 3 tot 6 druppels per vogel, afhankelijk van de grote, genoeg.

Huisvesting
Mijn Mitchell lori’s heb ik zowel in volière als in broedkooi-en onder gebracht. De volière’s hebben een afmeting van 0,8 m bij 2m en 2m hoog en een nacht hok waar hangkooien zijn gecon-strueerd met afmetingen van 0,8m bij 0,8m bij 1m. De broedkooien zijn 0,4m bij 0,5m bij 1m groot met een ingebouwde nestkast. In beide situaties is met succes gekweekt.

De kweek
De nestkasten in de broedkooien zijn langwerpig liggend en in de volière’s zijn deze L-vormig. De laatst genoemde zijn zelf gebouwd en vervaardigt van ruwe grenen planken van 25 mm dikte, de bodemafmeting is 18 cm bij 30 cm en het invlieggat is ? 6 cm. De binnenkant wordt na verloop van tijd sterk afgeknaagd en de spaanders worden in het nest verwerkt. Eveneens plukken sommige paren kleine veren die ook hiervoor worden gebruikt.
In 1990 kon ik bij twee kwekers in totaal 6 Mitchell lori’s kopen waarvan de leeftijd niet precies bekent was. Helaas waren twee dieren op de borst, buik en rug geplukt, en bij een andere waren de veren mat en gerafeld. De endoscopie was echter bevredigend, toen bleek dat het drie paren waren. Hiervan werd een paar in een volière geplaatst en de andere twee in broedkooien.
Van regenbooglori’s is men gewoonlijk gewend dat ze goed broeden, maar dit gaat voor de Mitchell niet geheel op. Bij mij, en bij een aantal collega kwekers, werden wel eieren gelegd, maar het aantal jongen dat een geslachtsrijpe leeftijd haalde was erg laag. Zo is het dus moeilijk om een goede kweekstam op te zetten. Hierop kom ik later nog terug.
Bij de balts danst de man, klapperend met de vleugels, om de pop heen waarbij hij een sissend geluid produceert. Knikken met de kop en heen en weer wiebelen met het lichaam hoort hier ook bij, even als een veranderende pupil. Sommige paren houden zich aan een bepaalde broedtijd terwijl anderen dit het gehele jaar door doen. In augustus 1990 werden de eerste eieren gelegd.Door de drie paren samen werden tot eind 1993, 13 legsels geproduceerd, waarvan 11 jongen uit kwamen, maar slechts 3 van over bleven. Onbevruchte eieren, vroegtijdig stoppen met broeden of onregelmatig broeden waren de hoofdoorzaken hiervan. Zo had een paar in 1992 in totaal 4 legsels van elk steeds 3 eieren, die ook allemaal bevrucht waren, en steeds stopten zij met broeden 1 á 2 dagen voor het uitkomen. Om de eieren onder pleeg ouders of in een broedmachine te laten uitkomen liep eveneens op niets uit. De oorzaak hiervan heb ik niet kunnen achterhalen. De eieren en de embryo’s erin waren steeds volledig ontwikkeld. Een mogelijke oorzaak zou een bacteriële besmetting van de eieren kunnen zijn.
Een ander paar bracht met succes 5 jongen groot. De jongen kwamen na een broedtijd van slechts 20-21 dagen uit. Van het derde paar kwam een jong groot. Midden 1993 trad nog een probleem op met betrekking tot de bevedering van de jongen. Dit probleem openbaarde zich vlak na het uitvliegen, toen de jongen alle grote vleugel- en staartveren verloren toen deze belast werden. De jongen konden nu onder de categorie kwartels ingedeeld worden (kruipers). Bij volgende nesten werd dit probleem steeds groter wat op het laatst bijna totaal kale vogels opleverde. Na onderzoek in een gespecialiseerde kliniek, werd het zogenaamde “beak and feather syndrom” vast gesteld. Of het werkelijk om dit virus handelde betwijfel ik. Veel aandoeningen met betrekking op de bevedering, hebben een zelfde verloop. Toch heb ik om risico’s zo klein mogelijk te houden alle jonge vogels inclusief de twee oudervogels (die van het begin af aan al een slechte veerconditie hadden) afgemaakt.
Eind 1993 had ik nog drie kweekvogels over, waarvan twee poppen en een man. Hiermee ben ik in 1994 opnieuw begonnen. Eind januari was het eerste legsel compleet, waarvan een ei bevrucht was. Uitgerekend dat ei is tijdens de broedperiode door de oudervogels beschadigd en kwam derhalve niet uit. Op 3 april werd opnieuw gelegd. Nu heb ik de eieren na twee weken weggehaald en bij een paar ervaren lori’s van de blauwe bergen onder gelegd, waarvan het legsel 8 dagen oud was. Na 27 dagen kwam het een ei van de Mitchell lori uit, het andere ei was onbevrucht. Een week later kwam het ei van de blauwe bergen uit. De eerste dagen hebben de jongen wit dons dat na verloop van tijd in grijs veranderd. De eerste veerstoppels komen na 20 dagen door. Op een leeftijd van 12 dagen is het jong geringd met ringmaat 5,5 mm. Na 70 dagen werd het nest verlaten, maar in de nacht werd er nog wel in geslapen. Een paar dagen voor het leggen is een verminderde voer opname van de oudervogels te constateren. Dit verschijnsel is mij bij meerdere lori soorten opgevallen. Hetzelfde herhaald zich kort na het uitkomen van jongen.

Tot slot
Voor wat de achteruitgang van de Mitchell lori in de vrije aangaat kunnen we stellen dat dit te maken heeft met de ver-storing van het biotoop. In avicultuur, is wellicht een desin-teresse geweest voor deze vogel die aan de achteruitgang heeft bijgedragen. Als een soort “goedkoop” is en onopvallend ge-kleurd, word de interesse voor zo’n vogel kleiner. Bij vroege-re importen zijn zeker Mitchell lori’s binnen gekomen zodat men ook van deze soort een goed bestand had kunnen opbouwen. Maar aangezien men zich vroeger niet zo zeer bezig hield met ondersoorten, is het heel goed mogelijk dat de Mitchell lori niet als aparte soort is gezien, en derhalve met andere regen-booglori’s gekruist is. Het zou goed zijn dat men zich in de toekomst niet alleen bezig houd met de duurdere soorten maar ook met de meer algemeen voorkomende soorten. In 1994 heb ik van een bevriende lori kweker een man kunnen lenen om het tweede paar compleet te maken, en ik wil op deze manier proberen mee te werken aan de instandhouding van deze soort.