Bek en veerrotziekte (PBFD). 1

Bek en veerrotziekte (Psittacine Beak & Feather Disease of PBFD)



Dit artikel is geschreven naar aanleiding van het door James Taylor geschreven artikel: Een nieuwe of misschien niet zo nieuwe ziekte onder lori’s., dat verschenen is in het Lori Journaal, deel 3, 2000.

Als dierenarts gespecialiseerd in vogels en als lorikweker heb ik het artikel van de heer Taylor met grote interesse gelezen. Ik waardeer het feit dat hij bek- en veerrot (PBFD) of Psittacine Circovirus Disease (PCD) onder de aandacht van lorihouders brengt. Dit artikel bevat basisinformatie over deze ziekte en haar gevolgen voor lori’s.

Oorzaak
PBFD wordt veroorzaakt door een zeer klein virus; het psittacine circovirus, dat bepaalde cellen, vooral die in de veren, de bek en in het immuunsysteem infecteert en doodt. Hierdoor worden groeiende veren en snavels misvormd. Indien het immuunsysteem is aangetast, wordt de vogel vatbaar voor secundaire bacterie-, schimmel- en virusinfecties. Het psittacine circovirus maakt alleen papegaaiachtigen ziek en alle papegaai- en parkietensoorten zijn vatbaar. Andere circovirussen infecteren duiven en andere vogel- en diersoorten. Het virus wordt gevonden in veel wilde papegaaienpopulaties in Australië, vooral bij kaketoes en lori’s. Ook bij wildvang lori’s afkomstig uit Zuid-oost Azië wordt het virus aangetroffen.

Ziektebeeld
Het door PBFD veroorzaakte ziektebeeld verschilt enigszins per papegaaiensoort. Bij bijvoorbeeld jonge kaketoes zijn de eerste tekenen van aantasting het zogenaamde verpulveren van de veren. Hierdoor gaan witte kaketoes er vies uitzien, terwijl hun snavels en poten er donker en glimmend uit gaan zien. De zachtrose en grijze kleuren van een rosékaketoe veranderen daarentegen in donkerrose en grijs. Wanneer de snavel wordt geïnfecteerd, raakt deze schilferachtig, overgroeid en zo bros dat deze gemakkelijk afbreekt. Bij de meeste papegaaiachtigen en lori’s raakt de snavel gewoonlijk niet geïnfecteerd, maar vallen de staart- en vleugelveren uit. Doordat dergelijke vogels niet meer kunnen vliegen worden ze ook wel kruipers genoemd. Ook de opnieuw aangegroeide pennen kunnen weer vroegtijdig uitvallen. Naast de staart- en vleugelveren kunnen ook de lichaamsveren geïnfecteerd raken. Aldus verloopt het klassieke ziektebeeld zoals we dat ook zien bij grote loribestanden. Jonge vogels vliegen uit zonder staart- en vleugelpennen, of ze verliezen deze na de eerste rui. De ouders van zulke vogels kunnen er op afstand normaal uitzien, maar één van hen, of beiden, kunnen drager van de ziekte zijn (zie verderop in dit artikel).

Bij sommige groene papegaaien komt het voor dat groene veren worden vervangen door gele. Men denkt dat dit komt door microscopische veranderingen in de veerstructuur. Bij grijze roodstaarten kunnen de grijze veren worden vervangen door rode.

Alle vogels die besmet zijn met het psittacine circovirus hebben breekbare korte veren met een abnormaal verdikte schede. Daarnaast hebben zij vaak vervormde veren. Bij de veren zien we vaak tekenen van bloedingen in de schachtbasis, zoals opgedroogd bloed of bloedklonters aan de veerschacht. Het verlies van veren geschiedt meestal verspreid over het hele lichaam en niet zo zeer in een bepaald gebied.

Het is erg belangrijk veerproblemen die worden veroorzaakt door PBFD te onderscheiden van de veerproblemen welke worden veroorzaakt door infectieuze ziektes, ondervoeding of gedragsstoornissen. Een ervaren dierenarts kan in dergelijke gevallen uitkomst bieden.

Ziektverloop
Experimenteel is vastgesteld dat de incubatietijd (dat is de tijd tussen het moment waarop de vogel voor het eerst is besmet met het virus en het moment waarop de eerste tekenen van ziekte zich openbaren) slechts 21 dagen hoeft te bedragen. In de praktijk is deze waarschijnlijk langer en zal deze afhangen van de leeftijd van de vogel, de mate waarin deze immuun is, waarin deze al een ontwikkeld verenkleed heeft en de sterkte van het betreffende virus.

Nadat het virus het vogellichaam is binnengedrongen, vermenigvuldigt het zich waarschijnlijk in het afweersysteem van de vogel. Dit zijn de bursa of fabricus, de thymus enz. Hierna verspreidt het virus zich door de andere organen (onder andere de lever), waarna het doelorgaan, de huid wordt bereikt.

Erg jonge vogels hebben een nog onvolgroeid immuunsysteem. Indien zij worden geïnfecteerd is er een grote kans dat zij zullen sterven als gevolg van een secundaire bacteriële infectie, een schimmelinfectie of door een ander virus.

Bij de wat oudere vogels die het eerste stadium hebben overleeft en pas besmet zijn nadat de veren al waren volgroeid, blijven veerdefecten vaak achterwege tot na de eerstvolgende rui. Dit kan meer dan 6 maanden duren. Indien de vogels zijn geïnfecteerd voordat er veergroei heeft plaatsgevonden, of vlak voor de rui, dan zal de ziekte zich vrij snel, bij het verschijnen van de nieuwe veren openbaren. Hierdoor worden jonge vogels het makkelijkst geïnfecteerd. De heer Taylor merkte terecht op dat papegaaiachtigen van elke leeftijd kunnen worden geïnfecteerd. Normaliter wordt er echter van uitgegaan dat volwasssen vogels pas ziek worden nadat zij langdurig aan een hoge dosis van het virus zijn blootgesteld en/of gestressed zijn of gelijktijdig lijden aan een andere infectie.

Normaal gesproken zal het immuunsysteem van een volwassen vogels die worden blootgesteld aan het virus in staat zijn een infectie te voorkomen. Ondanks dat deze vogels zelf niet ziek worden, kunnen zij het virus gedurende een maand verspreiden.

Er is een andere groep vogels die geen tekenen van ziekte vertonen, maar het virus af en toe, waarschijnlijk gedurende hun hele leven, verspreiden. Deze vogels zijn dus geïnfecteerd zonder dat ze de klinische verschijnselen vertonen en worden daarom drager genoemd. Vaak zijn het deze zogenoemde dragers die een bestaande vogelcollectie infecteren. Vooral bij lori’s is dit het geval. Bij zorgvuldige inspectie van de veren van dergelijke vogels kunnen bloedingen in de basis van de veerschacht of structurele veerdefecten worden gevonden, terwijl dit op het moment van verkoop niet duidelijk was. Men neemt aan dat veel van de zogenaamde ‘herstelde vogels’ in feite dragers van de ziekte zijn.

Verspreiding
Het is aangetoond dat het PBFD virus kan worden verspreid via veerstof, veerplukken, uitwerpselen, kropvloeistof en via het ei. Men neemt aan dat het virus tamelijk lang in de omgeving aanwezig blijft.

Diagnose
Ervaren dierenartsen kunnen de diagnose bij chronisch zieke dieren vaak al stellen op basis van klinisch onderzoek alleen. Zekerheid verkrijgt men echter pas indien men de aangetaste veren van vogels met veerafwijkingen microscopisch laat onderzoeken.

Er bestaan PCR-testen die al een laag gehalte van viraal DNA kunnen aantonen. Deze testen zijn beschikbaar en zijn van grote waarden voor het stellen van de diagnose bij levende vogels. Onderzoek in Australië heeft aangetoond dat er genetische variatie bestond in de verschillende psittacine circovirusmonsters die afkomstig waren van verschillende papegaaiachtigen. Een monster afkomstig van een Lori van de Blauwe Bergen (Trichoglossus haematodus moluccanus) vertoonde de grootste genetische variatie. Grote genetische variatie werd ook bij een groep lori’s uit de VS waargenomen. Omdat sommige PCR-testen die worden gebruikt deze variatie niet kunnen aantonen, kunnen zij een negatieve uitkomst geven. Het is daarom belangrijk dat het laboratorium waarheen men zijn monsters stuurt een wat bredere basis heeft voor het uitvoeren van hun DNA-test.

Daarnaast is het van groot belang dat de monsters uiterst zorgvuldig worden genomen. Omdat PCR-testen uiterst gevoelig zijn dienen de verschillende monsters zorgvuldig te worden gescheiden om onterecht positieve uitslagen te voorkomen. Vraag u plaatselijke dierenarts wat voor soort monsters er worden vereist voor een test. Gewoonlijk worden bloed, veer of ontlastingmonsters gebruikt, maar elk type monster heeft zijn voor en nadelen. Ook kan men uitstrijkjes maken van couveuses, broedmachines, nestblokken, of volières. Dit laatste kan men doen om er achter te komen of de leefomgeving van de vogels is besmet.

In Australië hebben is er gelukkig een antilichamentest (HI test) op de markt die aan kan tonen of een vogel een immuunrespons tegen het virus heeft ontwikkeld of niet. Deze test is, in combinatie met een PCR antilichamentest, van grote waarde bij het bepalen van de status (al dan niet besmet) van de vogels in een bestand. Normaal gesproken zijn geïnfecteerde vogels positief voor PCR, maar hebben ze geen antilichamen tegen het virus (HI-negatief). Vogels die aan het virus zijn blootgesteld maar het niet hebben gekregen, beschikken normaliter over een groot gehalte antilichamen (HI-positief). Ze zijn daarentegen negatief voor PCR (met andere woorden: zij zullen het virus niet verspreiden). Dragers kunnen een laag gehalte antilichamen hebben en kunnen zowel negatief als positief voor PCR zijn: dit hangt af van het feit of ze het virus verspreidden op het moment dat het monster werd genomen. Hoe dan ook, hun partners hebben meestal een erg hoog antilichaamgehalte, zonder dat zij het virus verspreiden. Dit komt doordat zij frequent aan het virus worden blootgesteld doordat dit wordt verspreid door hun partner, maar sterk genoeg zijn om het virus te bestrijden en daardoor niet geïnfecteerd worden. De bovenstaande aanbevelingen zijn generalisaties en de resultaten van elke test dienen te worden geïnterpreteerd in samenspraak met de betreffende dierenarts en het geconsulteerde laboratorium.

Er wordt wel beweerd dat bepaalde papegaaiachtigen, waaronder grasparkieten, agaporniden en lories uit zichzelf kunnen herstellen van de ziekte. Veel dierenartsen en onderzoekers zijn echter van mening dat dergelijke vogels in feite drager worden van de ziekte (als hierboven beschreven). Alhoewel het virus de veerstructuur niet hoeft aan te tasten, blijft het aanwezig in organen als de lever, waarvandaan het af en toe zal worden verspreid. Er zijn sterke aanwijzingen dat zij besmet blijven tijdens hun gehele leven en dus met grote omzichtigheid dienen te worden behandeld in een vogelbestand. Het zijn deze dragers die verantwoordelijk zijn voor de introductie van het virus in een vogelbestand, of de bron zijn van een continue herbesmetting van een vogelbestand. Waar de PCR-test de enige beschikbare test is, kunnen dragers enkel worden opgespoord door het herhaaldelijk testen van verdachte vogels op PCR. Het virus wordt immers slechts in bepaalde perioden uitgescheiden. Een alternatieve test kan bestaan uit het maken van een uitstrijkje van een nieuw aangebrachte nestkast of nestvulling die door de verdachte vogel is gebruikt. Dit uitstrijkje kan men laten testen op de aanwezigheid van viraal DNA.

Ook door te kweken zal een drager worden geïdentificeerd. Zijn of haar jongen zullen immers gewoonlijk aan de ziekte lijden. Indien de eieren kunstmatig zijn uitgebroed hoeft dit niet zo te zijn, maar zelfs dan kan de eierschaal zijn vervuild, waardoor het uitkomende kuiken (evenals andere kuikens) in de broedmachine worden geïnfecteerd.

Behandeling en controle
Er is geen specifieke behandeling tegen het psittacine circovirus. Het is aan te bevelen om zowel de voeding als de hygiëne te optimaliseren om zo de invloed van secundaire ziekten zo klein mogelijk te maken. Alhoewel secundaire ziekten, vooral bacteriële- of schimmelziekten, doorgaans zijn te behandelen, kunnen ze toch de dood tot gevolg hebben. Dit komt doordat het immuunsysteem van de vogel niet meer naar behoren functioneert. Bij lories hoeft de ziekte voor oudere vogels geen fatale afloop te hebben en lijken sommige dieren te genezen. Zoals gezegd moet men dergelijke vogels omzichtig behandelen omdat ze drager van het virus kunnen zijn.

Om de ziekte onder controle te krijgen is het nodig geïnfecteerde vogels te identificeren en vervolgens te verwijderen uit het vogelbestand. Daarnaast is een goede hygiëne van groot belang. Alhoewel de exacte levensduur van het virus buiten het vogellichaam niet bekend is, neemt men, op grond van de beschikbare kennis over andere circovirussen, aan dat het virus zeer resistent is. Houten zitstokken en kisten kan men daarom het beste vernietigen. Effectieve ontsmettingsmiddelen zijn onder andere glutaraldehyde, sodium-hypochloride, of Virkon S. Desinfectiemiddelen werken het best indien het te desinfecteren oppervlak vooraf is schoongemaakt (ontlasting en voedselresten dienen dus te worden verwijderd). Ook dient het desinfectiemiddel lang genoeg (5-10 minuten) met het betreffende oppervlak in contact te zijn geweest voordat het wordt verwijderd. Het in quarantaine houden van nieuw aangeschafte vogels is een belangrijke manier om te voorkomen dat de ziekte in een vogelbestand wordt geïntroduceerd. Vooral wanneer het wildvang dieren betreft is deze maatregel van belang. Alle nieuw aangeschafte vogels dienen vooraf zorgvuldig te worden gecontroleerd op eventuele tekenen van PBFD. Daarbij dient men vooral te letten op het verenkleed. In het ideale geval zou men alle nieuw aangeschafte vogels vooraf moeten laten testen op PBFD. In de meeste landen komt dit neer op het laten uitvoeren van een PCR-test, waarbij men het bloed van deze vogels op de aanwezigheid van viraal DNA laat testen.

Elke vogel met abnormaal gevormde veren die, eenmaal getest, PBFD-positief blijkt te zijn, moet men beschouwen als geïnfecteerd. Dergelijke vogels mag men nooit in de rest van het vogelbestand introduceren.

Vogels met een normaal ontwikkeld verenkleed die, eenmaal getest, PCR-positief blijken te zijn, moet men na 90 dagen overnieuw laten testen. Gedurende deze 90 dagen dient men de vogels in quarantaine te houden. Indien tijdens de tweede test blijkt dat de vogel PCR-negatief is en de veren er normaal uitzien, was de vogel waarschijnlijk slechts tijdelijk geïnfecteerd: na de eerste test heeft het immuunsysteem van de vogel het virus uit het bloed kunnen verwijderen. Zo’n vogel kan men beschouwen als zijnde resistent tegen PBFD.

Indien de vogel ook tijdens de tweede test PCR-positief blijkt, dan zijn er twee mogelijkheden: de vogel is overnieuw met het virus in contact geweest (via een andere vogel of via een besmette omgeving) of de vogel is een drager. Veel dragers blijven defecte veren ontwikkelen voor lange tijd. Zoals reeds eerder in dit artikel is gezegd, mogen dragers nooit en te nimmer in een vogelbestand worden geïntroduceerd omdat zij de andere vogels kunnen infecteren.

Indien de uitslag van de test negatief is, maar de vogel heeft verdachte veerafwijkingen, kan het noodzakelijk zijn een veer microscopisch te laten onderzoeken om de diagnose PBFD te kunnen stellen.  

Sommige onderzoekers adviseren om met nieuw aangeschafte vogels eerst in de quarantaineruimte te broeden. Dragers zullen immers vrijwel zeker enkele jongen produceren met klinisch waarneembare tekenen van PBFD. De reden voor dit advies is gelegen in het feit dat het moeilijk is om dragers via een PCR-test te identificeren, omdat ze vaak slechts in bepaalde perioden het virus uitscheiden. Deze handelswijze is niet erg praktisch voor de gemiddelde vogelliefhebber. Voor liefhebbers met een kostbare of zeldzame vogelverzameling die zich zorgen maken over moeilijk aantoonbare virussen met een incubatietijd van meerdere maanden of jaren (als proventricular dilation disease/Macaw wasting disease) is ze echter het overwegen waard.

Alleen gezonde vogels met een goed verenkleed mag men vanuit de quarantaine naar de rest van het vogelbestand overbrengen.

Het is vermeldenswaardig dat in de VS het aantal PBFD gevallen dat door dierenartsen werd geconstateerd fors is afgenomen na het teruglopen van de import van wildvangvogels.

PBFD positieve vogels
Indien een vogel PBFD positief blijkt dan moet deze zo snel mogelijk uit het bestand worden verwijderd. Vogels met PBFD hebben namelijk grote hoeveelheden van het virus in hun veerstof, die via de wind, mensen of schoonmaakmaterialen e.d. naar andere vogels worden vervoerd. Alle ruimten, kooien, toebehoren en voorraden die mogelijk in contact zijn geweest met besmette vogels moeten een aantal malen worden schoongemaakt en gedesinfecteerd. Hierna kan men een DNA-test gebruiken om te checken of het verblijf schoon is. Bij binnenvolières moet speciale aandacht worden besteed aan het luchtverversingssysteem en aan de inboedel. Door de vogels die contact hebben gehad met een besmette vogel op de bovenstaande manier te testen kan men vaststellen in welke mate de ziekte zich heeft verspreid. Vooral partners, ouders en nestgenoten van besmette vogels dienen zorgvuldig te worden getest.  

Moeten vogels met PBFD worden gedood? Deze vraag is moeilijk te beantwoorden. Ik ben van mening dat dergelijke vogels een besmettingsbron zijn en daarom moeten worden geruimd. De risico’s op ziekte en een verlaagde productiviteit bij de rest van het vogelbestand zijn te groot om een geïnfecteerde vogel te sparen. Dit kan hartverscheurend zijn voor sommige vogelhouders, vooral wanneer het hier het favoriete paar of vogels van een zeldzame soort betreft. Een dergelijke beslissing dient dan ook te worden gemaakt op basis van een goed veterinair advies, de wensen van de vogelhouder zelf en de aard van het gevoerde collectiebeleid.

Dit artikel ging in op enkele belangrijke aspecten van PBFD. Alhoewel de testen werkbaar en duur lijken, zijn ze in veel gevallen toch de moeite waard. Het virus kan namelijk grote gevolgen in een collectie hebben. Ik heb verschillende geïnfecteerde vogelbestanden volledig virusvrij gemaakt door middel van zorgvuldig testen, opruimen van geïnfecteerde vogels en desinfecteren van verblijven.

Om uitbraak van de ziekte te voorkomen beveel ik vogelhouders aan alleen vogels met een goed verenkleed te kopen en daarnaast gebruik te maken van een quarantaine, een quarantaine en nog eens een quarantaine!

Literatuur
BASSAMI, M.R., I. YPELAAR, G.E. WILCOX en S.R. RAIDAL. (2000): Psittacine beak and feather disease virus (BFDV) genotypes in Australia. Australian Committee Association of Avian Veterinarians. Annual Conference Proceedings, 2000: 207-213, Echuca
RITCHIE, B.W. Circoviridae. In: Ritchie, B.W. (Ed) (1995): Avian viruses: Function and control. Lake Worth
RITCHIE, B.W., C.R. GREGORY, K.S. LATIMER, M.S. CAMPAGNOLI, D. ESTI, P. CIEMBOR, M. RAE, H.R. REED, B.L. SPEER, B.G. LOUDIS, H.L. SHIVAPRASAD en M.M. GARNER (2000): Documentation of a PBFD virus variant in Lories. In: Proceedings of the Annual Conference of the Association of Avian Veterinarians, 2000: 263-268  

 Door: Dr Stacey Gelis BVSc (Hons) MACVSc (Avian Health),  Australiè.
Met toestemming overgenomen uit Lori Journaal.