Bek en veerrotziekte (PBFD). 2

Een nieuwe of misschien ook niet zo’ n nieuwe ziekte bij lori”s    

Door: James B. Taylor, Canada

Dit artikel gaat over onze ervaringen met Beak en Feather disease bij lori’s. Aangezien ik geen dierenarts noch een microbioloog ben, mogen er geen wetenschappelijke conclusies uit dit artikel getrokken worden. Van beroep ben ik wetenschappelijk onderzoeker waardoor ik o.a. gewend ben aan het lezen  van grote hoeveelheden nieuwe informatie en het analyseren van gegevens. Hier volgen, tot op heden, de conclusies van mijn bevindingen en de resultaten van laboratorium onderzoek op veel van mijn vogels.

Mijn vrouw en ik kweken vogels sinds 1992. Wij houden 12 soorten  (en ondersoorten) lori’s evenals 8 andere soorten parkietachtigen. Op dit moment hebben wij ongeveer 100 vogels die wij voor het merendeel in binnen/buiten vluchten houden. Het klimaat van Vancouver Island geeft ons de mogelijkheid  om de meeste lori’s het hele jaar door buiten te houden. Wij voeren ze ‘s morgens Aves Lorinectar uit Nederland en ‘s avonds een fruit/groente puree waar wij Avico Lorylife poeder aan toe voegen. Tevens krijgen ze ook fruit en maïs aan de kolf en in aardewerk schalen wordt water verstrekt. Iedere dag worden deze schalen verwisseld en gesteriliseerd.

Onze binnenvluchten bestaan  uit  kooien van 60x60x120cm van gelamineerd multiplex die ieder op een wasbak staan welke is aangesloten op de riolering. De buitenvluchten zijn 180x90x270cm hoog voorzien van l2xl2mm gaas met grint op de bodem. Tussen de vluchten is dubbel gaas aangebracht met daartussen plastic golfplaten. Vroeger isoleerden wij iedere vlucht geheel maar nu hebben wij enige platen aan de onderzijde van de scheiding verwijderd zodat de vogels elkaar kunnen zien. In de meeste vluchten is een sprinkler systeem aangebracht. De reden waarom ik de wijze van huisvesting van mijn vogels beschrijf zal later aan de orde komen.

De meeste problemen die wij hebben zijn met de blauwgestreepte lori (Eos reticulata). Wij houden deze soort sinds 1993 en hebben er erg veel narigheid mee gehad. Het eerste probleem vond plaats in 1995. Van een paar Blauwgestreepte lori’s verloren wij de jongen  (paar 1). In twee jaar tijd verloren wij van de 9 jongen er maar liefst 7. Verondersteld werd dat er een probleem was met de erfelijke eigenschappen van dit paar met als resultaat jongen die een slecht ontwikkeld immuun systeem hadden. Op alle jongen werd autopsie verricht maar de resultaten brachten niet veel licht in de zaak. Op iedere vogel die dood gaat wordt autopsie verricht in het Animal Health Centre, Agriculture BC door Dr. Vicky Bowes en Dr. John Robison. Alle resultaten worden in een archief opgeslagen. Twee jongen gingen dood aan Polyoma, een aan Pacheco’s, sommige aan een bacteriële infectie en de rest aan onbekende oorzaken. De jongen waren grootgebracht samen met andere jongen: blauwgestreepte lori’s, Wítruglori’s (Pseudeos fuscata), rode lori (Eos b. bornea,) en andere lori’s en parkieten maar hiervan zijn geen jongen doodgegaan.
Omdat we dachten dat dit te maken had met de erfelijke eigenschappen van het paar (paar 1) hebben we ze uit elkaar gehaald. Later  ging de pop dood aan een bacteriële infectie. Het mannetje doet het goed in de volière van een vriend. De enige gemeenschappelijke factor bij alle dode jongen (zoals gedetailleerd is in het autopsie rapport) waren problemen in het immuun systeem.

In 1997 schaften wij een paartje Lori’s van de Blauwe Bergen (Trichoglossus h. moluccanus)   aan afkomstig uit Europa. Het paar bracht enige nesten gezonde jongen groot maar toen begon het mannetje te plukken. Wij haalden de vogels uit elkaar, maar het mannetje bleef veren verliezen. Uiteindelijk verloor hij bijna al zijn veren en ging dood aan een inwendige infectie, veroorzaakt door een opeenhoping van kristallen rondom de inwendige organen. Met de pop gaat het goed. Wij plaatsten een paartje van onze blauwgestreepte lori’s (paar 2) in de vlucht waar de Lori’s van de Blauwe Bergen in hadden gezeten. Aan weerszijde kwamen twee andere paren (paar3 en 4). Dit was niet zo’n erg goede zet. De vogels raakten erg opgewonden vanwege het feit dat ze te dicht bij elkaar zaten. Paar 2 begon met broeden en kreeg twee jongen. Eén van de jongen verloor alle veren toen het 8 weken oud was. Nadat de veren weer teruggekomen waren gebeurde hetzelfde opnieuw op de leeftijd van 12 weken.  We stuurden monsters op van beide jongen naar een laboratorium in Florida voor onderzoek op Polyoma en PBFD, maar de uitslag was negatief. Uiteindelijk ging het jong dat zijn veren had verloren dood maar zijn nestmaatje lijkt in perfecte gezondheid te verkeren.

Alle mannetjes begonnen in 1998 met veren plukken en verloren al hun vleugel en staartveren. Er is er niet een aangegroeid. Ook een pop verloor haar veren. We hebben uiteindelijk alle paren uit elkaar gehaald en hebben oplossingen uitgeprobeerd die het veren plukken tegen zouden moeten gaan. Helaas had dit geen succes. Paar 2 begon in het voorjaar van 1999 opnieuw met het leggen van eieren, maar het enige jong in dit nest kreeg geen enkel nestveer. Het duurde 14 weken voordat de veren op het lichaam volgroeid waren, maar vleugel en staartveren zijn totaal afwezig.

In deze periode verloren wij ook een zwartkoplori (Lorius l. lory) in 1998 en een Duivenbodelori (Chalcopsitta duivenbodei) in 1999 door inwendige infecties. Mede hierdoor ben ik op zoek gegaan naar de oorzaak. Wij hebben de samenstelling van het voer bekeken daar te veel kalk samen met vitamine D3 infecties kan veroorzaken. In de lorilijst heb ik de vraag gesteld of iemand anders met dezelfde problemen te kampen heeft gehad. Hierop nam Sharon Casmier contact met mij op en zij gaf aan dat in de richting van PBFD gezocht zou moeten worden. Zij stelde voor dat ik de vogels opnieuw zou laten onderzoeken door een ander laboratorium. We hebben alle drie paren van de blauwgestreepte lori apart gezet en hebben deze vogels opnieuw laten onderzoeken. De monsters gingen naar een laboratorium in Ohio. Hier zijn de resultaten:

–    alle vogels van drie paar (2, 3 en 4) en een jong van paar 2 testten positief behalve de pop  van paar 2 (de moeder van het jong). De moeder is in perfecte conditie. Wij hebben haar in oktober 1999 opnieuw laten testen en ze kwam terug positief maar met een lage virus telling.
–    een andere pop is ook in goede conditie maar testte positief
Ik heb het vermoeden dat alle paren de ziekte opliepen toen ze minstens drie jaar oud waren. De leeftijd van de vogels varieert van 3 tot 8 jaar. Wij hebben geen gehalten van het verlies van veren bij volwassen vogels of jongen voor 1998.

–    Wij waren in staat om een monster van de Duivenbodelori op te sporen. Dit monster werd onderzocht op PBFD. Het resultaat was negatief

Wij hebben twee volièrecomplexen, een garage, een veranda en een babykamer waar wij vogels houden. Bij het controleren van deze ruimtes op PBFD bleek alleen de garage niet positief te zijn. Het mannetje van ons jongste paar blauwgestreepte lori’s (paar 5) verloor al zijn veren. Dit paar was gehuisvest in de garage. Hij testte negatief bij het onderzoek door het laboratorium in Ohio en alle veren zijn weer teruggekomen. Dit paar is van 1997, de pop komt uit onze eigen volière, het mannetje komt uit Canada. Bij een hernieuwd onderzoek in oktober 1999 toonden de resultaten de aanwezigheid van een geringe hoeveelheid virus aan. Deze vogel verloor kort daarop opnieuw zijn veren. Wij zijn toen begonnen om de rest van onze lori’s opnieuw te onderzoeken, te beginnen met die welke naast de positieve paren gehuisvest waren. De soorten die onderzocht werden waren de Obilori (Eos s.obiensis), de Lori van de Blauwe Bergen, geelgestreepte lori (Chalcopsitta s. scintilIata), Witruglori, Duivenbodelori  en  onze blauwgestreepte lori’s. Voordat wij van het probleem op de hoogte waren hadden wij een witruglori en twee groenneklories uit 1999 in april ’99 aan een winkel in Vancouver verkocht. De Witruglori ging dood aan een inwendige infectie. De groennek lori’s zien er op het oog goed uit maar deze twee vogels zijn niet op hun gezondheid onderzocht. De dierenarts die een autopsie verrichtte op de witruglori had zich van de dode vogel ontdaan voordat ik van de gebeurtenis op de hoogte was. Hierdoor was ik niet in de gelegenheid om deze te laten onderzoeken op PBFD. Wij hebben onmiddellijk al onze jongen inclusief twee andere witrug jongen laten onderzoeken (september 1999). Ook  al onze volwassen witruglori’s hebben wij laten onderzoeken. De resultaten waren negatief

Wij blijven het onderzoek voortzetten en houden de 9 vogels die positief testten of waarvan de uitstag twijfelachtig is, in quarantaine. Tot op heden hebben 50 onderzoeken uit laten voeren, dit kostte Can.$2500. -. Later zullen  de meeste onderzoeken opnieuw uitgevoerd worden. Tevens ontruimen wij ieder complex en alles wordt opnieuw geschilderd met een goede kwaliteit olieverf.  Het gaat hierbij zowel om de gebouwen als om de kooien, gaas enz.
Een complex is gereed (3 weken werk en voor $1000.- aan materiaal). Wij beginnen nu aan het tweede complex dat even zoveel tijd en geld gaat kosten. De afgelopen tijd hebben wij gezonde jonge lori’s gekweekt evenals blauwkroon hangparkieten (Loriculus galgulus), grijze roodstaart  en parkieten. Al deze vogels waren gehuisvest naast of tegenover lori’s die positief reageerden op het PBFD onderzoek. Deze vogels waren ook grootgebracht in onze babykamer waar de uitslag  positief was voor PBFD. Er zijn geen aanwijzingen dat de ziekte zich ook onder de rest van onze vogels heeft verspreid. Van de niet lori-achtigen hebben wij geen enkel jong verloren. Wij hebben de grijze roodstaart jongen ook laten onderzoeken maar de uitslag was negatief.

Door alle informatie ben ik tot de volgende conclusie gekomen:

–    Deze ziekte is waarschijnlijk een variant van PBFD die meestal lori’s treft.
–    Lori’s van iedere leeftijd kunnen het oplopen
–    Het schijnt niet erg besmettelijk te zijn. Door de manier waarop onze vluchten gebouwd zijn blijven de vogels gescheiden van elkaar. Maar omdat de complexen een positief testresultaat geven op PBFD zou men mogen verwachten dat er meer vogels positief besmet zouden zijn.
–    Sommige soorten lijken er gevoeliger voor te zijn dan andere, zeker de blauwgestreepte lori’s.
–    Een vogel kan het virus dragen en toch geen ziekteverschijnselen tonen maar over het algemeen verliest de vogel alle veren.
–    Lori’s schijnen op den duur het virus kwijt te raken.
–    Ieder laboratorium is niet hetzelfde. Sommige zijn in staat het virus te ontdekken andere niet.
–    De test op PBFD is erg gevoelig en toont zelfs bijzonder kleine hoeveelheden van het virus aan. Er bestaat zelfs de mogelijkheid dat bij onderzoek van de volière de uitslag positief is maar dat het om zulke kleine hoeveelheden van de virus gaat dat dit geen bedreiging voor de vogels vormt.


Om te weten te komen op welke manier dit probleem op te lossen is, moeten wij zoveel mogelijk te weten zien te komen over de manier waarop dit virus reageert. Daarom is het van het grootste belang dat een ieder die ook met dit probleem te maken heeft, bereid is om die informatie met anderen te delen. Op de volgende vragen zouden wij graag een antwoord willen hebben:

–    Welke soorten worden  het meest  getroffen.
–    Hoe lang duurde het voordat de ziekte uitbreekt
–    Hoe lang duurde het voordat de vogel over de ziekte heen is.
–    Op welke leeftijd sloeg de ziekte toe
–    Hoeveel jongen gingen (eventueel) er aan dood.
–    Is een inwendige infectie een symptoom

Hopelijk zijn wij volgend jaar in staat om de volgende bijeenkomst van de American Lory Society bij te wonen en daar enige positieve informatie te kunnen melden.

Als wij informatie kunnen verzamelen, samenvatten en doorgeven aan een ieder die er in geïnteresseerd is dan zouden wij misschien de schade die veroorzaakt wordt door deze ziekte, kunnen beperken.

Aanbevelingen
Indien U  een lori heeft die plotseling zijn veren, geheel of gedeeltelijk, verliest:

–    isoleer de vogel onmiddellijk van de overige vogels.
–    maak een quarantaine afdeling ver van de andere vogels
–    gebruik wegwerp handschoenen, voetbad en een jas die in de quarantaine afdeling moet blijven
–    geef deze vogel als laatste voer en steriliseer de schalen met bleekwater in de verhouding van 9 delen water op 1 deel bleekwater. Virkon S werkt ook goed
–    laat de vogel testen op PBFD evenals iedere andere vogel die in contact is geweest met deze vogel. Iedere vogel die verdacht is moet onmiddellijk in quarantaine
–    stuur 0.2-0.3cc bloedmonster, voorzien van een anti bloedstollend middel,  genomen uit een ader naar een laboratorium
–    het beste is dat uw dierenarts naar uw volières komt om de monsters te nemen, hierdoor wordt voorkomen dat u naar de praktijk van de dierenarts gaat en een besmetting met het PBFD virus overbrengt.
–    Laat de vogel, nadat de veren opnieuw zijn aangegroeid, iedere 3 maand opnieuw testen. Indien 2 monsters die 3 maand na elkaar zijn genomen negatief zijn mag men aannemen dat de vogel weer gezond is.

Dit zijn mijn eigen gedachten en ik kan geen garantie geven dat ze juist zijn. Op dit moment is er geen reden om in paniek te raken en besmette vogels te vernietigen. Het is aannemelijk dat de meeste vogels op den duur vanzelf van het virus afkomen.