Het geslacht Charmosyna.

Het geslacht Charmosyna.

De vogels van het  geslacht Charmosyna, worden ook wel honinglori’s genoemd en bestaat uit veertien soorten met verscheidene ondersoorten. Ze vertonen alle sterke verschillen met de andere lorisoorten: o.a. is de trapsgewijze vorm van de staart, terwijl bij verschillende soorten de middelste staartpennen sterk verlengd zijn, een opvallend verschil met andere lori’s. Tevens is hun tong belangrijk langer dan bij de andere soorten: ze kunnen met hun tong gemakkelijk tot voorbij hun oog likken, wat ze vaak doen als ze b.v. natgespoten worden. Maar het belangrijkste verschil is dat bij meer dan de helft soorten een duidelijk geslachtsonderscheid is te zien. Kunnen we bij de meeste lori’s nauwelijks of geen geslachtsonderscheid zien, bij de soorten van het geslacht Charmosyna is bij meer dan de helft het geslacht duidelijk te herkennen. Tevens zijn de vogels van dit geslacht qua lichaamsbouw veel sierlijker gebouwd dan de overige soorten. Alle soorten van deze familie komen voor op heel Nieuw-Guinea en de Pacifische eilanden, waar ze op dichtbeboste berghellingen voorkomen tot op een hoogte van soms wel meer dan 3000 meter. Ze verschillen in grootte en kleur sterk van elkaar, de Charmosyna wilhelminae is de kleinste met 13 cm. en de Charmosyna p. goliathina is wel de grootste met 45 cm, tevens is een aantal overwegend groen gekleurd en bij anderen is de lichaamskleur overwegend rood. De meeste soorten van dit geslacht worden maar sporadisch ingevoerd en dan nog meestal in zeer kleine aantallen. Het zijn over het algemeen schitterend gekleurde en sierlijke vogels, die met zorg geacclimatiseerd moeten worden want jammer genoeg sterven er vaak nog teveel van deze prachtige vogels door een verkeerde voeding en behandeling. Pas geïmporteerde vogels kunnen het best verwarmd gehouden worden tot ze goed gewend zijn aan hun nieuwe omgeving en het hun aangeboden voer. Daarna kunnen ze na eventueel een zomer buiten gehouden te zijn s’winters overdag wel in de buitenvolière gelaten worden, als ze s’nachts maar weer over een verwarmd nachtverblijf kunnen beschikken. Aangezien het over het algemeen vrij kostbare vogels zijn,schrikken veel liefhebbers er voor terug om ze aan te schaffen. Maar bij een goede behandeling en juiste voeding hoeven we niet zo erg bang te zijn voor sterfte, aangezien het toch over het algemeen vrij sterke vogels zijn, vooral de grotere soorten. We moeten er echter voor zorgen  vooral pas geïmporteerde vogels zo gevarieerd mogelijk te voeren met zachte zoete vruchten en honingwater en uiteraard een goed lorivoer. Aangezien deze vogels nog meer met hun tong het voer oplikken dan andere lori’s, waarbij ze nauwelijks hun snavel gebruiken, moeten we ervoor zorgen dat hun voedsel steeds dun en vloeibaar is, zodat ze het gemakkelijk op kunnen nemen. De vogels van deze familie zijn meestal broedrijp op een leeftijd van een tot anderhalf jaar en de broedtijd  is in het algemeen 23 tot 25 dagen.

Fokke Beswerda.

Terug naar artikelen.