Geelgroene lori.

De geelgroene lori, (Trichoglossus flavoviridis flavoviridis).
Door Jos Hubers.

Uiterlijk:

Hoofdzakelijk groen en geel zoals de naam al zegt . Rug, vleugels, hals en bovenstaart groen. De kop is geel met min of meer een donker masker die gevormd wordt door zwartachtige tot donkergroene veertjes. Dit varieert van vogel tot vogel en is bij de mannetjes vaak wat geler gekleurd. In de hals direct achter het geel van de kop nog een bruinachtig bandje van ca. 5 mm. breed. De borst en keel zijn geel met donkergroene schubben. De onderbuik is groen en ook donkergroen geschubd. De onderstaart en ondervleugeldekveren zijn geelgroen met donkergroene randjes. Samen met de bonte lori Trichoglossus versicolor, zijn het de enige lorisoorten met opvallende grote naakte oogringen. Waar deze bij de bonte lori wit is, is deze bij de geelgroene lori oranjegeel. De kleur van deze oogringen wordt beïnvloed door twee factoren en wel zonlicht en kleurstof. Vogels die binnenshuis  worden gehouden en wel kleurstof toegediend krijgen zoals wortelsap zullen de oranjegele oogring behouden. Alleen zonlicht (UV licht) is waarschijnlijk onvoldoende om de kleur te handhaven. Bij voldoende pollen in de voeding zal de kleur van de oogringen ook behouden blijven. De iris is net zoals de oogring oranje gekleurd. Geslachtsverschil is bij een groot percentage met enige ervaring vast te stellen. De mannetjes zijn doorgaans wat robuuster wat zich het meest uit in de grootte van de kop. Vrouwtjes hebben vaak een kleinere en vlakkere kop. Jonge vogels zijn wat minder scherp getekend. De iris en snavel zijn nog donkerbruin en de oogring wit. Het bruinachtige bandje in de hals ontbreekt ook nog. Ze zijn vrij snel op kleur, meestal al op een leeftijd van ca. 8 maanden. Binnen een jaar zijn uitgegroeid. Geslachtsrijp kunnen de vrouwtjes al zijn op een leeftijd van een jaar. Bij het vrouwtje noteerde ik de eerste bevruchte eitjes op een leeftijd van 12 maanden.
Taxonomie:
In 1862 is de geelgroene lori door Dr. Wallace voor het eerst beschreven. Hij had deze vogel bemachtigd in Menado (een stad gelegen op Sulawesi), en ging er daarom in eerste instantie vanuit dat deze vogel daarvan afkomstig was. Deze vogel moet echter vanuit de Sula-eilanden meegebracht zijn. De geelgroene lori vormt samen met de bekendere Meijer lori, Trichoglossus f. meijeri, de soort Trichoglossus flavoviridis. De Meijers lori komt samen met de ornaatlori, Trichoglossus ornatus op Sulawesi voor. Uit de Bonthainbergen van Zuid-Sulawesi is in 1884 nog de Bonthain lori, Trichoglossus bonthainensis, beschreven. Deze leek sterk op de Meijerslori en men vermoedt daarom dat het een afwijkend gekleurd exemplaar hiervan is geweest. Een opvallende gelijkenis vinden we tussen de geelgroene lori, de Meijerlori en de Mount Apo lori, (ook wel Johnstonlori genoemd), Trichoglossus johnstoniae. Alle drie hebben ze een op elkaar gelijkende schubtekening. Vooral de Mount Apo en de Mijerslori vertonen een sterke gelijkenis. Ook wat gedrag betreft komen deze twee meer met elkaar overeen. De geelgroene lori is vocaal gezien een luide vogel. Dit in tegenstelling met de andere twee die veel rustiger zijn. De laatste zijn beiden duidelijk kleiner dan de geelgroene lori.
Distributie:
De geelgroene lori treffen we aan op de Sula-eilanden en wel op Taliabu, Seho en Mangole. Deze eilanden liggen ten westen van Sulawesi (het vroegere Celebes) en behoren bij Indonesië.
Biotoop en status:
De Sula-eilanden bestaan hoofdzakelijk uit regenwoud en waren tot voor kort nog relatief weinig aangetast. Door dit laatste en doordat deze soort nooit in grote aantallen is uitgevoerd komt de geelgroene lori nog algemeen tot zeer algemeen voor. Dit waren de bevindingen in de tijd dat ze ontdekt werden en is kortgeleden weer bevestigd. Ze komen zowel op de laaglanden alswel in bergachtige streken tot op een hoogte van 2400 meter voor. Er is verder maar heel weinig bekend van deze soort. We mogen aannemen dat ze het zelfde voer tot zich nemen als de meeste andere lori’s dus hoofdzakelijk stuifmeel en nectar aangevuld met wat dierlijk voedsel, wat zaden en vruchten.
Status in avicultuur:  
In de jaren dertig werden de eerste geelgroene lories in Groot-Brittannië en later  in het begin van de zeventiger jaren nog eens in Zweden ingevoerd. Van beide importen is verder niets bekend.  De eerste geelgroene lori’s, zover bekend, waarvan nakweek bekend is werden gehouden in het vogelpark Walsrode in Duitsland in de jaren zeventig. Ondanks dat er met twee paren gekweekt werd is er uiteindelijk niets van overgebleven. Het heeft tot het eind van de tachtiger jaren geduurd voordat er weer enige geelgroene lori’s werden ingevoerd. Wederom in Duitsland en wel drie paren. Deze drie paren waren zeer succesvol en heden stamt nog menige nakweek in Duitsland van deze vogels af. Jonge vogels van deze import alsook jonge vogels van mijzelf (uit latere import) met vogels uit eigen import hebben in Zuid-Afrika voor een goed bestand aldaar gezorgd. Ook Groot-Brittannië en het Loro Parque op Tenerife hebben vogels uit Nederland (en indirect uit Duitsland) ontvangen van waaruit een bestand is opgebouwd. In een later stadium werden geelgroene lori’s ook vertegenwoordigd in landen als Italië, Denemarken en Curaçao. Op het ogenblik is er een redelijk bestand aan geelgroene lori’s in avicultuur met uitzondering van Noord-Amerika. Er zijn een redelijk aantal bloedlijnen beschikbaar al zijn in Duitsland bijna alle geelgroene lori’s aan elkaar verwant.

Huisvesting:
Mijn eerste geelgroene lori’s heb ik gekocht in Duitsland. Dit waren drie jonge paren die uit drie paren nagekweekt waren en dus waren mijn vogels gedeeltelijk aan elkaar verwant. Deze werden gehuisvest in eerste instantie met wat zachtvoereters zoals timalies, spreeuwen, rallen, krokodillenwachters enz. Behalve deze zachtvoereters hadden ze nog gezelschap van jonge Weberlories, (Trichoglossus h. weberii en roodneklories, (Trichoglossus h. rubrotorquis). Deze volière bestond uit een nachthok van 2,5 meter bij 1 meter en een buitenvolière van 6 meter bij 4 meter. Deze was beplant met allerlei soorten struiken. De volière was uit een houten frame opgetrokken en in 1992 was deze aan vervanging toe. Eigenlijk is er niets mooier dan een grote volière waar de vogels naar hartelust zich zelf kunnen uitleven. Toch werd er door mij gekozen voor een meer functionele opstelling. Dit werden aluminium buitenvolières van een meter breed en drie meter lang met aansluitend een klein nachthok waarin de nestkast werd opgehangen. Op dit moment ben ik aan het overwegen om in de toekomst een aantal tussenwanden te verwijderen. In het algemeen wordt er teveel van uitgegaan dat een volière lang moet zijn om de vogels de ruimte te geven. Mijn inziens (wanneer men kijkt naar een zelfde hoeveelheid vierkante meters) kan men beter een volière hebben van bijvoorbeeld 2,5 meter bij 2 meter dan een van 5 meter bij 1 meter. Wanneer men een lange, smalle volière heeft dan heb je het gevoel dat de vogels alleen maar van voor naar achteren kunnen vliegen en weer terug. Bestudeert men vogels die in een bredere volière zitten dan zullen we moeten constateren dat ze zich graag in alle richtingen voortbewegen, huppend en spelend. Mijn geelgroene lori’s, (twee paren), hadden hun eerste legsels in deze aluminium volières, maar helaas waren de eieren onbevrucht. Geelgroene lori’s zijn nogal luidruchtig en omdat deze vogels in volières zaten die direct achter mijn huis gesitueerd waren heb ik op een gegeven moment de keuze gemaakt om Stellalori’s in deze volières te huisvesten. Ik heb de geelgroene lori’s toen noodgedwongen naar kleinere broedkooien van 1,50 meter lang moeten verhuizen.
Verzorging en kweek:
Intussen kreeg ik de mogelijkheid om tweemaal een kleine groep wildvang geelgroene lories te kopen. Hiervan zijn enige paren doorgeschoven naar andere liefhebbers inclusief een aantal vogels van de Duitse bloedlijnen. Ik had nu drie geheel onverwante paren. In het begin vertoonden twee mannetjes een behoorlijke agressie jegens de vrouwtjes. Nadat ik ze drie weken afgezonderd had was dit over. Binnen een half jaar zaten de eerste twee paren op bevruchte eitjes. Het duurde dan ook niet lang voordat ik een kolonie jonge vogels had gekweekt. De broedduur bedroeg 24 dagen. De jongen groeiden voorspoedig op en werden niet geplukt. Bij 1 paar was het oppassen geblazen wanneer de natte bodembedekking vervangen moest worden. Zodra ik de jongen terug plaatste werden de ouders uiterst opgewonden. Ze kwamen direct de nestkast van binnen inspecteren en vielen zelfs de jongen aan. Dit was duidelijk te horen. Onmiddellijk verwijderde ik de ouders uit de nestkast en hield mijn hand in de buurt tot ze wat gekalmeerd waren. Daarna was er geen vuiltje meer aan de lucht. Dit was nier de eerste keer dat ik bij lories dergelijk gedrag (of ander abnormaal gedrag) meemaakte bij het verschonen van hun nest. Enkele voorbeelden: een paar schubbenlori’s, (Trichoglossus chlorolepidotus), vielen ook hun jongen aan wanneer de nestbekleding was vervangen. Bij deze vogels liet ik de jongen in de nestkast en heb steeds een deel van de bodembedekking vervangen. Op deze wijze was er verder geen probleem. Een paar roodneklori’s hadden de neiging om zoveel mogelijk de bodembedekking te verwijderen. Toen op een gegeven moment de jongen op de kale bodem lagen en vochtig werden heb ik waarschijnlijk teveel houtkrullen in het blok gedaan. De ouders stopten onmiddellijk met het voeren van de jongen. Een paar geelgroene lori’s hadden twee eitjes. Na het schoonmaken van de kooi was er per abuis wat water in de nestkast gekomen waardoor de houtkrullen wat vochtig waren geworden. Voor de zekerheid heb ik een gedeelte van de krullen vervangen. Dit had tot gevolg dat de ouders direct daarna de eitjes  vernielden. Het is bekend dat men zo min mogelijk moet storen wanneer de vogels aan het broeden zijn. Soms moet men noodgedwongen wel iets doen in de nestkast. Hou de vogels daarna goed in de gaten want hun gedrag is vaak moeilijk voorspelbaar zoals U uit voorgaande voorbeelden kunt concluderen. Men kan zowel een horizontaal als een verticaal nestblok gebruiken. De nestkasten die ik gebruik en waarin met succes door drie paren is gekweekt zijn van het horizontale type, (agapornis model). De lengte is ca 30 cm, hoogte 17 cm. En diepte 15 cm., (allen binnenmaten). Het invlieggat heeft een doorsnede van ca 5 cm. De voeding die ik verstrek bestaat net zoals bij mijn andere grotere lori’s hoofdzakelijk uit Lorinektar. Een stukje appel op zijn tijd wordt zeer op prijs gesteld. Ook kan men fruit fijn maken in een blender. Iets wat ik nl. geef voor de avonduren. In een blender maak ik fijn: peer, appel, banaan en wortel. Dit wordt een dikke brij, deze maak ik meer vloeibaar door er een zoete vruchtensap aan toe te voegen zoals bv. perensap. Soms breng ik het iets meer op smaak door er wat suiker aan toe te voegen. Op deze wijze krijgen ze s’ avonds een voeding met naar verhouding een laag eiwitgehalte en een vrij hoog koolhydraatgehalte. Vooral bij de Charmosyna, Oreopsittacus, (Arfaklori), en chalcopsitta soorten is het van belang dat men een dieet verstrekt met een niet te hoog eiwitgehalte. Arfaklori’s doen het bijvoorbeeld beter op kolibrievoer (laag eiwitgehalte) dan op een gemiddeld commercieel lorivoer. Deze ervaring heb ik inmiddels ook van andere gerenommeerde kwekers vernomen. Aangezien geelgroene lori’s zeer actieve vogels zijn, is het verstandig om zo nu en dan wilgentakken in de kooi te hangen. Hier kunnen ze een hele tijd zoet mee zijn.