Smaragd lori.

Overplaatsing van ultramarijnlori’s Vini ultramarina in de Marquesas Eilanden: van Ua Huka naar Fatu Hiva

Door C. Kuehler, A. Lieberman, A. Varney, P. Unitt, R.M. Sulpice, J. Azua en B. Tehevini.

Samenvatting
De ultramarijnlori (ultramarijn lorikeet, Marquesas lorikeet, Pihiti) Vini ultramarina, is een van de meest bedreigde lorisoorten. Thuishorend op de Marquesas Eilanden, waar deze lori waarschijnlijk door de hele archipel voorkwam, is hij nu van alle eilanden uitgeroeid behalve van het kleine eiland Ua Huka. Gegeven de kwetsbaarheid van een enkele populatie die op een klein eiland voorkomt en het afnemen van de soort in afgelopen jaren, is het uitzetten van de ultramarijnlori op andere minder verstoorde eilanden binnen zijn oorspronkelijke verspreidingsgebied voorgesteld als een strategie om de soort in stand te houden. Dit artikel beschrijft een onderzoek uit 1991 waarin de toestand van de ultramarijnlori op de Marquesas Eilanden onderzocht werd. Tevens worden drie achtereenvolgende overplaatsingen van vogels via het eiland Ua Huka naar het eiland Fatu Hiva beschreven. Tussen 1992 en 1994 werden op verzoek van de Delegation de L’Environnement (Frans Polynesië), 29 vogels overgeplaatst.
Een voorbereidend onderzoek voorafgaand aan de derde overplaatsing toonde aan dat eerder overgebrachte vogels nog steeds in leven waren en zich waarschijnlijk zouden voortplanten; een diepgaand onderzoek werd gepland voor 1997.

Introductie
Vele soorten Oost Polynesische landvogels zijn uitgestorven sinds de komst van de mens behalve dan de vogels die op dit moment nog op de eilanden aanwezig zijn (Steadman 1989).
16 inheemse soorten die op Frans Polynesië voorkomen worden beschouwd als bedreigde soorten (Thibault 1988; Collar 1994). De crisis om vogels met een eiland als habitat in stand te houden, is niet beperkt tot Polynesië alleen.
Van de 93 soorten en 83 ondersoorten van vogels die uitgestorven zijn sinds 1600 leefden 93% op eilanden (King 1985). Elders in het Stille Zuidzeegebied op Hawaii horen 31 soorten vogels thuis waarvan het voortbestaan in gevaar is. Van 12 soorten zijn er zelfs minder dan 100 over (U.S. Fish and Wildlife Service 1994).
De vogels van de Stille Zuidzee eilanden worstelen tegen het verwoestende effect van ingevoerde roofdieren, planteneters, planten, ziekten en verstoring van hun woongebied dat gepaard ging met het arriveren van de mens in hun kwetsbare, kleine geïsoleerde ecosysteem.

Verspreiding van de ultramarijnlori thans en in het verleden
In 1991 was de toenmalige informatie over de verspreiding en de positie van de ultramarijnlori op de Marquesas Eilanden erg summier. Op basis van fossiele en archeologische overblijfselen rapporteerde Steadman (1989) dat voor de komst van de mens, de meeste soorten vliegende vogels op de Marquesas over de hele eilandketen werden gevonden. Maar sinds de komst van de kolonisten, is de verscheidenheid van de soorten aan het afnemen. Waarnemingen door Holyoak (1975) en Holyoak en Thibault (1984) in de jaren zeventig rapporteerden dat de ultramarijnlori zeldzaam was en plaatselijk voorkwam op Nuka Hiva (40-150 vogels in 1972), wijdverspreid en betrekkelijk algemeen op Ua Pou (250-350 paren in 1975) en op Ua Huka (200-250 paren in 1975). De populatie op Ua Huka stamt volgens mededelingen af van twee vogels oorspronkelijk afkomstig van Ua Pou die in 1941 werden losgelaten (Decker 1980, L. Lichtle mondelijk; figuur 1)
Meer recent werd de situatie samengevat door Thibault (1988) en Seitre. Seitre (1991) rapporteerde dat het bestand van deze lori aan het afnemen was of beperkt tot de hoog gelegen gebieden op zowel Nuka Hiva, waar hij misschien wel helemaal was uitgeroeid, en Ua Pou waar hij heel zeldzaam was.
Daarentegen merkten ze dat de introductie van vogels op Ua Huka in 1941 resulteerde in een populatie die zich heel goed wist te handhaven in zelfs de lagere gebieden.

Overplaatsingsprogramma
Omdat de ultramarijnlori in zijn oorspronkelijke verspreidingsgebied was afgenomen, werd in 1990 een beschermingsprogramma gestart.
De doelstellingen van dit programma waren de situatie van de ultramarijnlori vast te stellen en indien noodzakelijk een extra populatie te vestigen door middel van overplaatsingen. Overplaatsing van vogels van de ene plaats naar de andere om er een tweede populatie te vestigen is geweest voor verscheidene soorten succesvol geweest, bijvoorbeeld De New Zealand Saddlebacks Philesturnus carunculatus, Chatham Island Black Robins Petroica traversi, Chatham Island Snipes Coenocorypha aucklandica pusilla en de Seychelles Warbles Acrocephalus sechellensis (Merton 1966a,b 1975; Komdeur et al., 1991; Butler en Merton 1992).
De succesvolle introductie, bij toeval, van de ultramarijnlori van Ua Pou naar Ua Huka toonde aan dat de lori een goede kandidaat was voor overplaatsing.

Werkwijze
Onderzoek naar ultramarijnlori’s op de Marquesas Eilanden.
Voorafgaand aan het besluit dat overplaatsing van lori’s van Ua Huka naar Fatu Hiva voordeel op zou leveren werd in 1991 onderzoek verricht om de situatie van de soort in zijn oorspronkelijk verspreidingsgebied vast te stellen. Op elk eiland Ua Pou, Ua Huka en Nuku Hiva werd een week doorgebracht tussen 19 november 1991 en 11 december 1991. Al het veldonderzoek werd gericht op leefgebieden die mogelijkerwijze de lori’s zouden helpen, namelijk bossen en plantages. Grasland, struiken en laag bosland waar vooral de acacia Leucaena de overhand hadden werden vermeden. Pogingen werden ondernomen om het aantal lori’s, die gezien en gehoord werden zo nauwkeurig mogelijk te tellen. Verder het herkennen van bomen waar zij hun voer uithaalden en het aantal vogels te berekenen die per uur werden gezien. Deze tellingen werden vermenigvuldigd met de tijd die doorgebracht werd met zoeken, een schatting van het gebied dat per uur werd bestreken en het gedeelte van het eiland waar het geschikte leefmilieu aanwezig is (geschat aan de hand van luchtfoto’s). Schattingen van het gebied dat per uur werd bestreken hingen van twee factoren af. Ten eerste de breedte van de strook waarbinnen gemiddeld alle lori’s waren geteld; 100 en 200 meter werd gekozen als de getallen waarop de schattingen waren gebaseerd. Een roepende lori kan gehoord worden tot op een afstand van meer dan 100 meter en de vogels zijn erg luidruchtig, maar een stille lori kan gemakkelijk ongezien blijven boven in een kokosnootpalm. Ten tweede, een waarde van de snelheid waarmee de waarnemers door het leefgebied trokken, werd vastgesteld; deze snelheid varieerde van 0.5 tot 2.0 km per uur. Opnieuw werden twee waarden gekozen 1.0 en 1.5 km per uur als basis voor de schattingen.
Ten slotte, minimum populatie schattingen werden berekend aan de hand van beschikbaar leefgebied en het aantal vogels dat per uur werd waargenomen (dichtheid) (Franzreb 1981).

Het vangen van lori’s op Ua Huka
Voeding- en vluchtgewoontes van ultramarijnlori’s op Ua Huka werden vastgesteld om vangtechnieken te ontwikkelen. Omdat de voedselbronnen (in gevangenschap en in het wild) over het hele eiland verspreid waren en de vogels zich niet consequent voedden in bepaalde gebieden, was het moeilijk om te voorspellen waar er mistnetten moesten komen. Vangplaatsen werden uitgekozen rondom voedselbomen (tabel 1). Netten werden zodanig geplaatst dat gebruik kon worden gemaakt van het verwachte vluchtpatroon van de vogels, de stand van de zon zowel als de nabijheid van het basiskamp om het transport zo kort mogelijk te houden van de netten naar de kooien in het veld.
Alle netten die gebruikt werden waren 2,1 meter breed (5 panelen) en van 5,1 m tot 18,3 m lang.
Ze werden opgetrokken op verschillende hoogten afhankelijk van de voedselbron die gebruikt werd. Voor Musa sp. en Spondias dulcis bomen heeft men een laag tot middelmatig net nodig dat tussen de 1,0 tot 3,0 m boven de grond moest worden opgetrokken. Voor Mangifera indica, Pometia pinnata, en Inga edulis heeft men hoge netten nodig die 4,0 tot 6,0 m boven de grond werden opgehangen door middel van bamboestaken of touwen en voorzien van katrollen. In het algemeen werden de netten geopend binnen 1 uur na zonsopkomst en gesloten bij zonsondergang. De tijd dat de netten open stonden werd als mistnet uren genoteerd.

Gedrag en verzorging tijdens het transport
De gevangen lori’s werden onmiddellijk uit de netten verwijderd en overgeplaatst naar kleine van stof gemaakte zakken, voor vervoer over het terrein. De vogels werden dan ieder afzonderlijk gehuisvest in houten veldkooien van 30,5 x 30,5 x 30,5 cm.
Iedere kooi had een voorfront en bodem van gaas voor onderhoud en observatie. Scheiding van de vogels voorkwam agressief gedrag en vergemakkelijkte het observeren van het gedrag tijdens de voeding.
Alle lori’s werd een vloeibaar dieet verstrekt, Nekton Lory (Nekton, Pforzheim, Duitsland) en papaja. In 1992 werden de vogels verscheidene keren per dag met een nevelspuit natgespoten. Onvoldoende sproeien had in 1993 tot gevolg dat een van de vogels vuile veren kreeg waardoor deze na het vrijlaten problemen had met het vliegen. Enige dagen later werd deze vogel dood terug gevonden. De vogels werden in 1994 vaker met een nevelspuit natgespoten en de conditie van de veren werd voor de overplaatsing gecontroleerd.
In 1992 en 1993 werden de vogels voor de overplaatsing geringd, gewogen en gemeten (Baldwin 1931). Het opmeten werd in 1994 gestaakt om stress door het in de hand nemen te beperken, maar het ringen en wegen van de vogels werd voortgezet.
Ultramarijnlori’s werden in kooien gehouden totdat voldoende vogels waren gevangen om over te plaatsen (vijf tot zeven dagen, afhankelijk van de dag waarop de vogel gevangen was). Waarnemingen werden gedaan om er zeker van te zijn dat de vogels goed aten voordat ze overgeplaatst werden. Transport per boot van Ua Huka naar Fatu Hiva duurde ongeveer zeven tot negen uur, afhankelijk van wind en zee condities. Er werd geprobeerd om de kooien zoveel mogelijk uit de zon en de nevel van het zeewater te houden.

Het uitzetten en volgen
Bij aankomst op Fatu Hiva werden de vogels gevoerd, met de nevelspuit nat gespoten en beschermd tegen verdere verstoringen.
In 1992 , werd er ‘s morgens na aankomst vers fruit gegeven en kregen ze drie uur lang de gelegenheid om zich te voeden voordat ze werden uitgezet. In 1993 en 1994 werden de vogels op de derde dag na aankomst in vrijheid gesteld, hierdoor hadden wij de tijd om eerst op zoek te gaan naar eerder uitgezette vogels. Bij alle drie overplaatsingen werden de kooien halverwege de ochtend, per vrachtauto naar een lokatie vervoerd die ongeveer 2,0km landinwaarts en stroomopwaarts van het dorp Omoa lag, om te worden uitgezet. De plek waar de vogels werden uitgezet was bepaald aan de hand van de aanwezigheid van voedselbronnen waarvan bekend was (o.a. op Ua Huka – tabel 1) dat de vogels daar gebruikt van maakten. Dit was gebaseerd op onderzoekingen op het eiland door de Service de L’Economie Rurale (SER) (B. Tehevini niet gepubliceerde inf.). Voor de tweede overplaatsing (1993) was een onderzoek ingesteld in de Omoa Vallei om lori’s of hun jongen te vinden van de vorige overplaatsing (1992). In 1994 werd een tweede onderzoek ingesteld, voordat nieuwe vogels werden uitgezet, om te zoeken naar vogels en hun nakomelingen van de vorige twee jaren. Tijdens het jaar tussen de overplaatsingspogingen was de bescherming en controle de verantwoordelijkheid van de SER op Fatu Hiva.

Tabel 2.
Onderzoek ultramarijnlori’s, Vini ultramarina op Ua Huka, de Marquesas Eilanden in diverse leefgebieden, 1991.

FP, gemengde bosplantages gedomineerd door kokosnootpalmen Cocos nucifera, hibiscus Hibiscus tileaceus, bananenbomen Musa sp., mangobomen Mangifera indica.
GV, tuinen en dorpen met veel van de bovengenoemde soorten, maar minder dicht op elkaar.
DF, droger bos, meer open bosland op hellingen met kortere hibiscusbomen, wat guaves Psidium guajava en casurina Casuarina equisetifolia.

Resultaten
Onderzoek van de ultramarijnlori’s op de Marquesas Eilanden: Ua Pou, Nuku Hiva en Ua Huka.

Ondanks alle pogingen werden er geen ultramarijnlori’s op Ua Pou waargenomen, hoewel deze soort 16 jaar geleden algemeen was.
Door een paar plaatselijke bewoners wordt echter beweerd dat de soort nog aanwezig is maar in zeer lage aantallen.
De situatie op Nuku Hiva was net zo teleurstellend. Er werden geen ultramarijnlori’s waargenomen en de meeste bewoners waren niet van de soort op de hoogte of ontkenden het bestaan van de soort op hun eiland. Het meest recente verslag was over een enkele vogel langs de weg tussen Taiohae en Taipivi in mei 1991. Indien er nog een populatie aanwezig is op Ua Pou en Nuku Hiva dan is deze wel zo klein dat die waarschijnlijk niet in staat is om zich in stand te houden.
De ultramarijnlori blijft algemeen op Ua Huka in de geschikte leefgebieden. Er werden totaal 313 vogels geteld. Vergelijkingen van vogels gezien per uur (dichtheid) werden gemaakt in diverse leefmilieu’s (tabel 2). De lori komt het meest voor in gemengde bos en plantagegebieden (11,8-22,8 vogels per uur).
Ua Huka heeft een oppervlakte van 78 km2, waarvan ongeveer de helft geschikt is voor lori’s. In de Hokatu vallei, dat hoofdzakelijk bestaat uit het meest geschikte biotoop voor lori’s, werd geschat dat er minstens 100 vogels (eigenlijke telling 80) aanwezig waren. Het leefgebied van de lori’s daar beslaat ongeveer 1,5 km2. Indien de dichtheid van de soort in de overblijvende beboste gebieden op Ua Huka de helft is van dat in de Hokatu Vallei dan kan men ruwweg aannemen dat er een populatie bestaat van 1300 vogels ((100 vogels/1,5 km)/2) x 40 km2 geschikt biotoop= 1333 overeenkomend met de eigenlijke telling van net over de 300 vogels.
Een minimum schatting is 800 vogels ((6 vogels/uur x snelheid van de waarnemer 1,5 km per uur) – (40 km2 geschikt biotoop) x (6 vogels per uur)/(waarnemerssnelheid 1,5 km per uur)/ 0,2 km breedte van het waargenomen gebied).
De grootste dichtheid die in veel gebieden is waargenomen (tabel 2) duidt er op dat de totale populatie dit minimum overtreft.
Op basis van vorige rapporten en dit verslag over het verdwijnen van de ultramarijnlori uit zijn historisch verspreidingsgebied, uitte de Delegation de l’Environnement, Frans Polynesie, het verzoek om een overplaatsings programma te starten van vogels van Ua Huka om een neven populatie te vestigen op Fatu Hiva.

Vangen en overplaatsing
In totaal werden 29 ultramarijnlori’s overgeplaatst van Ua Huka naar Fatu Hiva in drie zendingen in 1992 – 1994.
27 Vogels werden gevangen d.m.v. netten en twee vogels werden als jong gevangen toen ze bevuild waren door het sap van een Pisonia grandis boom. In totaal heeft men 893 uur met netten gewerkt om te trachten lori’s te vangen (347 in 1992, 441 in 1993 en 105 in 1994). De succesvolste vangpogingen waren in gebieden waar de Inga edulis en Spondias dulcis bomen bloeiden.
Ultramarijnlori’s weerstonden gevangenschap en vervoer goed en alle vogels begonnen binnen 48 uur na te zijn gevangen, te eten. Jonge vogels begonnen eerder met eten dan volwassen vogels en vertoonden een minder met stress samenhangend gedrag (heen en weer lopen en schuren tegen het gaas). De twee problemen waarmee wij te maken kregen tijdens de overplaatsing waren het vaststellen van mogelijke vangplaatsen (aan de hand van voedingsactiviteiten) en voorzieningen voor de vogels in gevangenschap die de kans verminderden op het bevuilen van de veren terwijl de vogels een op nectar gebaseerd dieet aten. Onvoldoende nevelen tijdens de overplaatsing in 1993 resulteerde waarschijnlijk tot de dood van een vogel nadat deze was uitgezet, omdat deze vogel niet goed kon vliegen vanwege zijn bevuilde veren.

Uitzetten en waarnemen
29 lori’s werden uitgezet op drie plaatsen op 28 augustus 1992 (7 vogels), 24 november 1993 (7 vogels) en 23 october 1994 (15 vogels).
Nadat de kooien geopend waren, vlogen de vogels direct naar de kroon van de in de buurt staande cocosnoot palmen en begonnen zij voedsel uit de bloemen te halen. In het algemeen bleven ze daar van een paar minuten tot een uur, elkaar mooi maken en kwetteren met vrijgelaten soortgenoten.
De ultramarijnlori’s bleven in paren of kleine groepen, waarbij ze in luidruchtige vluchten de Omoa Vallei op en neer vlogen. Op 23 november 1993, voordat de vogels van de tweede overplaatsing werden vrijgelaten, werd de Omoa Vallei onderzocht en vier lori’s werden boven het dorp waargenomen.
In 1993 en 1994 tijdens de periode tussen de overplaatsingen werden de vogels gevolgd door de SER.
Op 22 oktober 1994 vlak voor de derde overplaatsing, resulteerde een grondiger onderzoek in de Omoa Vallei in de waarneming van 14 vogels. Het was bekend dat in 1992 en 1993 in totaal 13 ultramarijnlori’s met succes waren overgeplaatst van Ua Huka naar Fatu Hiva. Daarbij komt dat de SER in 1994 hoorde dat verscheidene dorpsbewoners in Omoa lori’s hadden gezien in Hanaveve en de Pupuauwihi Vallei. Op 14 oktober werden vijf vogels op ooghoogte waargenomen die van ‘wilde’ bananen aan het eten waren. De lori’s werden omschreven als hebbende een donker blauw/zwart verenpak en geheel blauw in het gezicht en de voorkant. Dit is een nauwkeurige beschrijving van jonge ultramarijnlori’s wat het resultaat zou moeten zijn van voortplanting in het wild (Y. Taputu mond.). Deze eerste resultaten geven aan dat de overgeplaatste vogels het overleefd hebben en zich voortplanten op Fatu Hiva (tabel 3).

Tabel 3.
Waarnemingen van ultramarijnlori’s vini ultramarina op Fatu Hiva, Marquesas Eilanden, na overplaatsing van Ua Huka.

Discussie
Uit het onderzoek van 1991 bleek dat het huidige bestand van de ultramarijnlori beperkt was tot een eiland, Ua Huka. Op basis van ontwerp aanbevelingen door het ICBP/IUCN/CBSG Parrot Action Plan voor de Vini ultramarina, aanbevelingen door biologen die bekend zijn met Frans Polynesië en op verzoek van de Delegation de l’Environnement, werd een overplaatsingsprogramma opgesteld om de vogels te vangen en over te brengen naar een eiland dat minder verstoord was (Seal 1992, R. Hay in litt., J.C. Thibault mond., P. Raust mond., A. Varney niet gepubl. geg.)
Het eiland Fatu Hiva werd uitgekozen als plaats om een tweede populatie van ultramarijnlori’s te vestigen om biologische, politieke en praktische redenen.
Biologisch omdat een eiland dat vrij was van ratten, als de hoogste prioriteit werd beschouwd; ingevoerde zwarte ratten Rattus rattus, die azen op eieren en jongen zijn waarschijnlijk de grootste oorzaak van de achteruitgang van de lori op Nuku Hiva en Ua Pou. Afnemende biotoop ten gevolge van landbouw, grazende planteneters, tropische stormen, competitie met ingevoerde soorten honingbijen en ziektes die de bananenbloesem teisteren zouden ook bijgedragen kunnen hebben tot de achteruitgang. Maar de verbeteringen aan de havens op Nuku Hiva en Ua Pou, waardoor een toevloed en vestiging van ratten mogelijk was, is waarschijnlijk het belangrijkste probleem (Seitre en Seitre 1992, T. Kautai mond., L. Lichtle mond.).
De alternatieve eilanden Tahuata, Eiao en Mohotani werden niet beschouwd als mogelijke plaatsen om lori’s uit te zetten omdat zwarte ratten gevangen waren op Tahuata en Eiao en Mohotani ernstig in waarde achteruit zijn gegaan door overbegrazing (Montgomery 1980, Hay 1986, Seitre en Seitre 1992, P. Unitt niet gepubl. geg.). Ua Huka en Fatu Hiva hebben geen gevestigde populaties van R. rattus. De Polynesische rat Rattus exulans is de enige soort die er thuis hoort en is waarschijnlijk niet zo nadelig voor Vini lori’s als de meer agressieve zwarte rat (M. Robert mond., Atkinson 1985, Seitre en Seitre 1992, R.M. Sulpice niet gepubl. geg.). Bovendien heeft Fatu Hiva geen vliegveld en haven die de introductie van de rat zouden vergemakkelijken, noch zijn er plannen om er in de toekomst een aan te leggen. Grote delen van het 80 km2 grote eiland is nog steeds een geschikte biotoop voor lori’s en het voedsel waaraan de lori’s op Ua Huka de voorkeur geven is ook aanwezig op Fatu Hiva (SER niet gepubl. geg.).
Fatu Hiva werd om politieke en praktische redenen gekozen als plaats voor een tweede populatie omdat het het meest ongerepte eiland van de Marquesas is en waar slechts weinig mensen wonen(ongeveer 500) (Stanley 1989). Hoewel men aan kan voeren dat overplaatsingen van in gevaar zijnde of bedreigde vogels geprobeerd zouden moeten worden in onbewoonde gebieden, bieden dun bevolkte eilanden enige voordelen. Begeleiding en bescherming van pas geïntroduceerde vogels vereist arbeid, geld en belangstelling. Het plaatselijk bestuur op Fatu Hiva heeft een SER medewerker in dienst (B.Tehevini) die permanent op Fatu Hiva verblijft. Hij is bereid om de vogels te begeleiden en hun veiligheid te garanderen. De auteurs waren van mening dat, indien lang lopende pogingen om de soort in stand te houden, na hun vertrek voortgezet zouden worden, voorlichting en het er bij betrekken van de plaatselijke bevolking onontbeerlijk was. (Hay 1986). Overplaatsing van vogels van Ua Huka naar Fatu Hiva werd ondersteund door de burgemeesters van beide eilanden. Bovendien werden pogingen ondernomen om de gemeenschappen er bij te betrekken d.m.v. voorlichting en schriftelijke informatie.
Op zich zelfstaande populaties van bedreigde en zeldzame eiland vogels hebben een groot risico van uitsterven. Cade (1986) wees er op dat “mensen die een soort in stand proberen te houden kunnen niet passief blijven, d.w.z. bescherming van het biotoop en het oprichten van natuur reservaten alleen zal niet voldoende zijn, omdat zo’n bescherming eenvoudig niet plaats kan vinden op een schaal die groot genoeg is om met alles rekening te houden”.
Overplaatsing is een kostbare beschermingsstrategie die de grootste mogelijkheden voor succes en de minste invloed op de donor populatie heeft, indien het is uitgevoerd voordat de soort ernstig in gevaar is en er slechts een handvol over zijn (Griffith 1989).
Voorlopige resultaten van onze drie overplaatsingen van ultramarijnlori’s van Ua Huka wijzen er op dat overgeplaatste vogels op Fatu Hiva overleven. Het voortdurend blijven waarnemen is onontbeerlijk en een grondig onderzoek, gepland voor 1997, zal de waarde bepalen van het succes van het programma door vast te stellen of de overgeplaatste populatie zich voortplant.
Hopelijk zal de ervaring verkregen door dit programma, waardevol blijken te zijn voor toekomstige overplaatsingsprogramma’s voor andere bedreigde lori soorten.

Dankzegging
De auteurs zouden graag de steun van de bevolking van Frans Polynesië en Frankrijk erkennen die dit programma mogelijk hebben gemaakt.

Aanvullende steun van biologische staf was beschikbaar gesteld door het Peregrine Fund, Inc. en het Natural History Museum van San Diego.