Roodflanklori.

De roodflanklori en zijn ondersoorten.

Alle foto’s bij dit artikel zijn beschikbaar gesteld door Iggino van Bael



Een waar juweeltje onder de kleine lori’s is de roodflanklori (Charmosyna p. placentis) een vogeltje van zo’n 17 cm. groot. Waren deze vogeltjes vroeger vrij zeldzaam in gevangenschap de laatste jaren worden ze toch wel met enige regelmaat aangeboden en er wordt zelfs regelmatig mee gekweekt. Dit wil niet zeggen dat het nu een algemene verschijning is bij de liefhebbers, het blijft toch wel een vogeltje die het beste door de meer ervaren liefhebbers gehouden kan worden. Van de roodflanklori zijn naast de nominaatvorm nog 4 ondersoorten bekend, de Charmosyna p. intensior, deze heeft een kleinere blauwe vlek op de stuit en deze is tevens meer violetblauw en het voorhoofd van de man is iets minder geel dit lijkt meer groengeel. Bij de Charmosna p. ornata is de mantel wat donkerder groen, deze heeft een grote blauwe vlek op de stuit en iets meer rood aan de keel. De groenstuitlori Charmosyna p. suplacens verschilt  alleen met de nominaatvorm door het ontbreken van de blauwe vlek op de stuit en een donkerder groen op de rug en de vleugels. Tot slot de Charmosyna p. pallidor, deze verschilt van de groenstuitlori door een meer bleke lichaamskleur wat zich vooral toont bij de oorstreek van de man. Voor zover bekend komen naast de nominaatform alleen de Ornata en de subplacens in gevangenschap voor in Europa. De roodflanklori kweekt over het algemeen vrij gemakkelijk zowel in een ruime kooi  als in een volière met binnen en buitenverblijf. Dit laatste is uiteraard aan te bevelen omdat het vrij beweeglijk vogeltjes zijn komen ze natuurlijk beter tot hun recht in een ruime buitenvlucht dan in een kooi. Ze staan bekend als vrij sterke vogels die volgens sommige kwekers zowel s’winters als zomers graag in de buitenvolière verblijven mits ze over een verwarmd binnenhok kunnen beschikken, de meeste liefhebbers raden echter aan om deze vogeltjes bij een temperatuur van 10 tot 20 graden te houden. Ze broeden in nestkasten van plm. 13 bij 13 cm bodemoppervlak en 30 cm. diep, ook worden wel horizontale nestkasten gebruikt. Er worden net zoals bij de meeste lories 2 eitjes gelegd, bij uitzondering 3,  die na een broedtijd van 24 dagen uitkomen, de jongen vliegen uit op een leeftijd van 6 tot wel 8 weken.

Bij jonge vogels is vrij spoedig het verschil tussen mannen en poppen te zien de jonge mannen hebben al vrij spoedig enkel rode veertjes aan de onderkant van de vleugels, dit zal bij een popje nimmer voorkomen. Op een leeftijd van plm.5 tot 6 maand zijn de jongen volledig op kleur en als ze ongeveer en jaar oud  zijn, zijn ze kweekrijp.Het bestand van deze vogels in gevangenschap is momenteel voldoende om de soort instand te houden  maar daarom moeten we er wel op letten dat we de soorten raszuiver houden.

Fokke Beswerda.