Johnston of Mount Apo lori deel 2.

De Mount Apolori (Trichoglossus johnstoniae) de enigste lorisoort van de Filippijnen.

door Jos Hubers.

Nadat er een behoorlijk bestand aan Mount  Apolori’s gekweekt waren en er een aantal beschikbaar kwamen, besloot ik er ook een aantal van aan te schaffen. Dit waren nakweken van twee kwekers die ter plaatse kerngezond leken. Het was dan ook een nare ervaring dat het merendeel van de pas aangeschafte vogels vrij snel na aankomst op mijn locatie stierven. Op dat moment kon ik eigenlijk geen typische verschijnselen vaststellen. Op een zeker ogenblik toen ik het weer waagde om Mount Apo’s aan te kopen merkte ik al gauw dat de vertering bij een van de vogels te wensen overliet. Bij onderzoek door mij van de krop bleken beide vogels een ernstige flagalaten infectie te hebben. Het vermoeden van mij is dat deze vogels steeds al besmet zijn geweest, (mogelijk de originele importvogels al in lichte mate op de Filippijnen) en door verandering van plaats, voeding etc. (dus ook een portie stress) een verminderde weerstand hadden waardoor de flagelaten zich explosief vermeerderd hadden. Sinds ik de Mount Apo’s met ronidazol gekuurd heb, (en ook de bevriende kweker waar ze vandaan kwamen) zijn er geen problemen meer opgetreden.

Het bovenstaande toont duidelijk aan waar bijvoorbeeld stress toe kan lijden. Andere bekende problemen zijn vaak ook Candida infecties en bepaalde bacteriële infecties zoals E.coli die onder zulke omstandigheden de kop op steken. Door de verliezen heeft het een tijdje geduurd voor ik de eerste Mount Apolori’s aan het kweken had. Maar in 1997 was het dan eindelijk zover. Op dat moment had ik de paren gehuisvest in kooien met gazen bodem en een paar in een combinatie binnen/buitenvolière. Het hele proces was niet anders dan ik verwachte en dus gelijk aan bijvoorbeeld de “look a like” Meijerlori, (Trichoglossus flavoviridis meyeri). Destijds heb ik de broedgegevens niet bijgehouden en daarom neem ik het een en ander over uit het artikel van Roger Sweeney. De broedduur bedraagt ca. 23 a 24 dagen. De jongen verlaten het nest na ongeveer 40 tot 48 dagen. In het klimaat van West-Europa duurt het langer dan op de Filippijnen en men moet dan toch eerder op 48 dagen of meer rekenen. Na het uitvliegen worden ze nog een aantal dagen door de ouders bijgevoerd maar als het moet kunnen ze na een enkele dag, zelfstandig eten. Roger heeft een aantal gegevens van een kuiken die hij met de hand heeft grootgebracht en wel de volgende: Gewicht na uitkomen: 3,6 gram; huid rose met lang grijs primair dons. Nagels en snavel zwart. Op de dertiende dag gingen de ogen open. Na twintig dagen was de vogel geheel bedekt met het dikke secundaire dons. Na 25 dagen kwamen de meeste vleugelpennen door en ook op de kop en de staart zijn de eerste stoppels te zien. Op de 28ste dag komen de eerste veren op de kop en borst door. Na 40 dagen was het jong, op de flanken na, volledig bevederd. De snavel kleurde daarna al snel naar oranje maar de omkleuring van de lichte huid om de ogen en neus duurde enkele maanden. Qua voeding en verzorging is deze soort dus gelijk aan andere kleine Trichoglossus soorten. Ze hebben graag zo nu en dan een zonnepitje en dat kan dan ook geen kwaad zolang het met beleid gebeurd. Bij mij zijn het altijd vrij goede ouders geweest. Op een gegeven moment had ik een paar die een onbevrucht legsel had. Hier heb ik toen een ei van een ornaatlori, (Trichoglossus ornatus) en een ei van een Mount Goliat lori (Charmosyna papou goliathina) ondergelegd. Deze beide eieren werden uitstekend uitgebroed. Omdat deze jongen wat te groot waren voor de nestkast en dus deze kast gauw nat werd, heb ik de beide jongen verdeeld over twee kasten. Een nestkastje zette ik op de bodem van de broedkooi links in de kooi met de deksel eraf en een zelfde nestkast rechts, ook zonder deksel. Zo hield ik de kasten langer droog en hadden de jongen alle ruimte. De pleegouders voerden de jongen om de beurt vanaf de rand van de kastjes. Dit ging perfect tot dat de jongen zo groot waren dat ze er uit kropen en bij elkaar gingen buurten. Maar dat was maar van korte duur want daarna zaten ze beide al snel op stok bij de Apo’s. Dit was een mooi gezicht: 2 Mount Apo’s geflankeerd door een Mount Goliath en een (pastelkleurige) ornaatlori. De laatste bleek zomaar een mutant te zijn. Om even terug te komen op de nestkast, die zijn bij mij hetzelfde als voor de Meijerlori nl. de zogenaamde horizontale nestkasten. Formaat ca.25 cm. lang, 17 cm. hoog en 15 cm. diep. Het invlieggat is 5 cm. in doorsnede. Het afgelopen jaar heb ik echter niet veel geluk gehad met deze soort maar het ziet er nu weer wat hoopvoller uit. Op dit ogenblik moet bij een paar op korte termijn eitjes uitkomen en van een ander paar hoop ik dat de eitjes niet lang meer op zich laten wachten. Verder heb ik nog het probleem van een vrouwtjestekort. Al zolang als ik mij herinner heb ik meer mannetjes gehad dan vrouwtjes en heb nu ook wederom 2  extra mannetjes. Wat voeding betreft is deze lori net zo min moeilijk als andere Trichoglossus soorten. Een normaal lorivoer met zo nu en dan fruit is voldoende. Zoals eerder geschreven willen ze zo nu en dan ook wel eens een zonnepitje erbij. Wat we als lorikwekers nog wel eens vergeten is dat de meeste lorisoorten ook graag wat groen erbij hebben en dan  bedoel ik niet een tak om aan te knagen maar ook wat groenvoer zoals vogelmuur. Dit is een kwestie van uitproberen, per vogel wil het nog wel eens verschillend zijn. Toen ik nog mijn oude volières had waar gras als bodembedekking fungeerde werd dit door de lori’s nog wel eens genuttigd. Vooral de eerste dagen hadden de jonge vogels regelmatig groendoorschijnende kroppen wat dus inhield dat er gras werd gevoerd. Ik hoop over een aantal jaren nog steeds Mount Apo lori’s in avicultuur tegen te komen.