Rode lori.

Mijn eerste ervaringen met de rode lori, Eos bornea bornea



Verspreiding
De rode lori treffen we aan op Ambon, Saparua, Buru, Ceram, Ceramlaut en de Watubela en Kay eilanden. Het merendeel van deze eilanden vormen een onderdeel van de Molukken, dat weer tot Indonesië behoort.

Biotoop
Tot voor kort kwam de rode lori op bijna alle eilanden zeer algemeen voor. De laatste jaren zijn ze echter in aantal aanzienlijk achter uit gegaan maar behoren gelukkig nog niet tot de bedreigde diersoorten.
Ze worden hoofdzakelijk gezien in het kustgebied en dan met name in plantages en in vruchten of bloesemdragende bomen.
Boven de 1250 m. worden ze maar zelden waargenomen. Op Buru zijn ze vooral te vinden in de mangrovebossen en in iets mindere mate in andere vegetatie. In open grasland zal men ze amper tegenkomen.

Beschrijving
De foto laat zien dat de rode lori zijn naam niet voor niets heeft. Bijna het gehele verenkleed is rood. Een uitzondering zijn een paar blauwe veren op de schouders en de blauwe onderstaartdekveren. Verder zijn de vleugelpennen aan de randen zwart.
Jonge vogels kunnen variabel van kleur zijn. Sommige paren brengen nakomelingen voort die hier en daar blauwe veerpartijen hebben, met name aan de zijkanten van de kop en aan de voorzijde. In het verleden verwisselde men soms jonge importvogels met de blauwoorlori, Eos semilarvata. De laatste genoemde is echter in avicultuur onbekend. Andere paren krijgen jongen die bijna geheel gelijk aan de ouders zijn. Alleen het formaat en de donkerbruine snavel onderscheidt ze van hun vader en moeder.
Wat formaat betreft kan de rode lori een forse vogel zijn. Hiermee bedoel ik dat de grootte nogal variabel is, vooral wat de man betreft. Hierbij de kanttekening dat de echt grote vogels in het algemeen mannen zijn. Hun lengte varieert van 26 tot 31 cm.

Nomenclatuur
Uit het bovenstaande heeft u kunnen opmaken dat zowel het formaat bij de volwassenen als kleur bij de juveniele vogels variabel zijn. Dit heeft ertoe geleid dat men verschillende ondersoorten op basis van bovenstaande verschillen heeft beschreven.
Volgens de mening van een aantal ornithologen is dit dubieus.
Echter één ondersoort is wel duidelijk te onderscheiden, namelijk de Buru lori, Eos b.cyanonothus. Deze is niet groter dan 27 cm. en veel donkerder gekleurd dan de gewone rode lori. Helaas zijn er kwekers die de twee rassen met elkaar kruisen. Dit is een bedreiging voor het voortbestaan van deze mooie rassen, met name voor de Buru lori die lang niet zo algemeen gekweekt wordt als de rode. Raszuiverheid is toch één van onze doelstellingen!

Algemeen
Voordat ik met lori’s begon heb ik een aantal jaren met agaporniden gekweekt. Mijn interesse werd gewekt door een artikel in de Parkieten Sociëteit (juli/aug. 1990), geschreven door Dhr. L. Polane. Het had als titel “Lori’s als hobby, niet zo moeilijk als het lijkt”.
Wat mij, en met mij vele anderen, altijd had tegengehouden was de voeding. Dit zou een tijdrovende klus zijn, maar volgens Dhr. Polane viel dat nog wel mee.
In een ander artikel over duskylori’s, Pseudeos fuscata van Dhr. Piersma werd aanbevolen om eerst bij een ervaren liefhebber te gaan kijken. Bij hem waren op dat moment diverse namen en telefoonnummers bekend. Ik ben daarna bij Dhr. J. Hubers terecht gekomen. Van hem heb ik veel informatie en adviezen gekregen plus een rondgang langs zijn volières.
Op slag was ik verkocht bij het zien van deze schitterende vogels. Dhr. Hubers had echter op dat moment geen lori’s te koop.
In de P.S. stond een advertentie waarin een kweekkoppel rode lori’s te koop werd aangeboden. Speciaal wanneer er kweekkoppels worden aangeboden is voorzichtigheid geboden, zeker bij vogels waarbij het geslachtsverschil onduidelijk te zien is.    
Bij dit koppel was geen twijfel mogelijk daar het nog een jong in het blok had liggen. De man miste een aantal slagpennen waardoor hij niet kon vliegen. Volgens de liefhebber was het echter een goede kweekvogel, en een beetje vertrouwen in de liefhebber moet je kunnen hebben, dus werd het koppel gekocht.
Het bleek een goed koppel te zijn want binnen zes weken had de pop het eerste ei gelegd. Drie dagen later volgde het tweede ei. Het eerste ei bleek bevrucht te zijn en kwam na 24 dagen uit.
Toen kwam het moment dat mijn onervarenheid met lori’s om de hoek kwam kijken. Begin december vroor het en het nachthok was niet verwarmd. Het jong, zo’n 15 dagen oud, werd niet meer door zijn moeder warm gehouden en is toen door de kou overleden.
De vogels heb ik tijdelijk naar binnen gehaald en in een vlucht geplaatst van twee meter lang, een meter hoog en een halve meter diep.
Door de kleinere ruimte werden ze rustiger en kon ik de rode lori’s meelwormen uit de hand voeren. Dit werd door de vorige eigenaar ook verstrekt. Verder gaf ik de vogels het kant en klare Lorinektar.
Na ongeveer een maand begon het paar aan een tweede broedsel waarbij het tweede ei ook weer drie dagen na het eerste werd gelegd. De pop was inmiddels zeer agressief geworden. Wanneer ik het vrouwtje meelwormen wilde voeren, probeerde ze ook mijn vingers te pakken. Wederom was het tweede ei onbevrucht, en ook nu weer kwam het eerste ei na 24 dagen uit. Het jong groeide voorspoedig en werd door mij na 12 dagen met een 7 mm. ring geringd. Inmiddels waren ook de ogen open gegaan.

Het jong ontwikkelde zich prima. Net toen het bijna helemaal in de veren zat lag ook dit jong dood. De krop zat vol voer en verder was er aan de vogel niets te zien. Nader onderzoek naar de doodsoorzaak leverde niets op.                               Kort na dit debâcle begon het paar aan een derde broedsel. Deze keer bracht het twee mooie rode jongen op stok.
Dit was het laatste broedsel van dat kweekjaar.
Het jaar erop brachten de rode lori’s drie jongen groot uit 2 broedsels.
Ik werd hierbij voor de eerste maal geconfronteerd met plukkende ouders, zelfs tot bloedens toe.
Deze jongen zijn dan ook verder met de hand grootgebracht. In januari 1993 werd het eerste legsel gelegd met als resultaat drie eieren. Alle drie kwamen ze uit, maar binnen korte tijd waren de eerste twee jongen overleden en na drie weken ook het derde jong.

Helaas heeft dit koppel het leggen van drie eieren niet kunnen herhalen omdat de man twee maanden later overleed.
Bij een, intussen bevriend kweker, heb ik een hele mooie man kunnen kopen. Op dit moment is ook deze man een trotse vader van twee schitterende jongen die gelukkig tot nu toe nog niet worden geplukt.
Al met al toch een mooie ervaring.

Literatuur
FORSHAW, J.M., & W.T. COOPER (1989): Parrots of the World, Melbourne.                                        

Door Bep Jansen, Nederland.
Met toestemming overgenomen uit Lory Journaal.