Johnston of Mount Apo lori deel 1.

De Mount Apo Lori, Trichoglossus johnstoniae


De Mount Apo lori, ook wel Johnston- of Mindanao lori genoemd, is een sporadisch voorkomende vogel in avicultuur. Ook in het land van herkomst, de Filipijnen, wordt hij sporadisch gehouden.
Deze kleine, maar prachtige vertegenwoordiger van het geslacht Trichoglossus toont in tegenstelling tot de vele andere Trichoglossus soorten, een overwegend groen verenkleed met gele markeringen aan de onderzijde van het lichaam. De Mount Apo lori heeft een diep rood voorhoofd en is iets lichter rood aan de wangen en achter de ogen. Een bruinachtig-paarse band loopt van het ene oog over de kop heen naar het andere oog. Een tweede ondersoort is beschreven als T. j.pistra. Gezien de zeer minimale verschillen met de nominaatvorm wordt in het algemeen weinig aandacht aan dit ras besteed. In de meest recente literatuur wordt deze soort niet eens genoemd.
Zelf heb ik meer dan 100 levende dieren van de T.johnstoniae bestudeerd aan de hand van de vele voorhanden zijnde balgen in het nationaal museum op de Filipijnen en in andere musea. Tot nu toe kan ik geen aannemelijk onderscheid vinden voor een tweede ondersoort en ik geloof dat het om een niet te onderscheiden vorm van de nominaat betreft.

Het natuurlijk leefgebied van de Mount Apo lori beperkt zich tot het zuidelijke deel van Mindanao, een eiland dat behoort tot de Filipijnen. Het huidige leefgebied valt momenteel onder bescherming van een nationaal park. Vanuit een gelimiteerd leefgebied heeft deze vogel nooit een grote populatie in het wild gekend. Na een recente schatting wordt de populatie op ongeveer 10.000 vogels gehouden, wat volgens mij aan de hoge kant is. Het geïsoleerde leefgebied van deze populatie en de bescherming van het nationaal park, met inachtneming van de stabiliteit van die groep, dragen bij tot de instandhouding van de soort. Er moet echter wel op toegezien worden dat door de toenemende industriële druk geen grondgebied van het nationaal park word opgeist. Het grootste voorbeeld hiervan is de bouw van een grote elektriciteit centrale op voormalige grond van het nationaal park. De Filipijnen zitten momenteel in de grip van een toenemend elektriciteit verbruik, een voortvloeisel van toenemende activiteiten welke van belang zijn voor de nationale economie. Met deze achtergrond worden soms beslissingen genomen die de natuur niet ten goede komen, maar onomkomelijk zijn gezien de sterke bevolkingsgroei wat we ook op andere plaatsen in de wereld zien.
Deze situatie, dat papegaaiachtigen met een beperkt en kwetsbaar leefgebied, in de verdrukking komen met de grote bevolkingsgroei, zien we overal in de ontwikkelingslanden. In zulke gevallen is er ten eerste een grote behoefte aan de kweek in avicultuur, garanderen van hun eigen inheemse woongebieden, en er moet een goed beheer en research komen over in gevangenschap gehouden vogels zodat een goede populatie gevormd kan worden.

Voor de Mount Apo lori, heeft de B.I.I. research en broed centrale met medewerking van de Filipijns overheid (departement van milieubescherming) en het bureau voor natuurbescherming hier borg voor gestaan. De verzorging van de T. johnstoniae in gevangenschap is niet anders als die van andere, kleine leden van de Trichoglossus familie.
In het tropische klimaat van de Filipijnen zijn de vogels bij de research en broed centrale onder gebracht in verschillende volièreaccommodaties van individuele paren in afgescheiden hangkooien tot koloniebroed in meer conventionele volière’s. In beide gevallen is er met succes gebroed, echter afzonderlijk onder gebrachte paren hadden het meeste succes.
Daar waar het klimaat het toelaat kunnen de vogels het best in buitenvolière’s onder gebracht worden. Ofschoon gewoonlijk geheel gehard, zijn ze vergelijkbaar met de meer gehouden kleinere Trichoglossus soorten, maar de zeldzaamheid van deze vogel gebiedt eigenlijk een binnenshuis huisvesting als de weersomstandigheden slechter worden.

In de broedcentrale krijgen de T. johnstoniae het zelfde dieet als dat van andere Trichoglossus soorten. Het bestaat uit een vloeibaar voedsel dat twee keer per dag samen met fruit en enkele millet zaden gegeven wordt.
Een volledig rapport over het kweken in gevangenschap van de Mount Apo lori is momenteel in voorbereiding en zal in 1994 beschikbaar zijn.                                                                             Het broeden in gevangenschap met de Mount Apo lori in de broedcentrale, is zeer bevredigend gezien de positieve resultaten. Enkele van de daar geboren jongen die overgebracht zijn naar andere collecties hebben ook al succesvol gebroed. Onze nadruk ligt op het grootbrengen van de jongen door de ouderparen. Ofschoon dit soms moeilijkheden kan opleveren, zodat het soms onomkomelijk is de jongen met de hand groot te brengen. Een legsel bestaat normaal uit 2 eieren die in een periode van 23 dagen worden uitgebroed. Het uitvliegen geschiedt op een leeftijd van 40 tot 47 dagen, de jongen worden dan nog enkele dagen door de ouders gevoerd. Met de hand grootgebrachte jongen zijn meestal na 47 dagen vliegklaar maar pas na 60 dagen volkomen onafhankelijk.        Van een met de hand groot gebracht jong heb ik de volgende gegevens bijgehouden. Bij het uitkomen had het jong een gewicht van 3,55 gram. De kleur van de huid was roze en was bedekt met lang, grijsachtig wit dons. De nagels waren zwart en de snavel zwart met een witte eitand aan het uiteinde van de bovensnavel. Bij de eerste voeding had de krop een inhoud van 0,3 ml. De ogen openden zich na 13 dagen en na 16 dagen waren beide ogen geheel open. Het dons dat bij de geboorte aanwezig was, begon na 9 dagen te verdwijnen en een tweede donslaag begon na 16 dagen te groeien en na 20 dagen was het grootste deel van het lichaam weer bedekt.                                                            Na 25 dagen bleken de meeste vleugelveren al doorgekomen te zijn en op de kop en staart begonnen ook al veerschachten door te komen. Kleine veerschachten bedekten de krop en kwamen al los in kleine groene en gele puntjes. Na 28 dagen vertoonden de kopveren al kleur en braken de veerschachten op de borst door. Vleugel en staartveren begonnen nu de kleuren van volwassen vogels te krijgen.                                                      
Na 40 dagen was het jong geheel bedekt met veren, met uitzondering van de flanken. Na 47 dagen begon het jong zelf te eten van hetgeen hem werd aangeboden. Na 56 dagen zat het jong totaal in de veren en was onafhankelijk.                                                          Jonge vogels onderscheiden zich van volwassen vogels door hun zwarte snavel en vale grijze huid rond het oog en grijze neusdop. De snavel begint echter vrij snel na het uitvliegen al in oranje te veranderen, maar de vale kleur van oogring en neus blijft nog maanden zichtbaar. Het andere jong, uit hetzelfde nest dat door de ouders zelf was groot gebracht, bleek in groei gelijk aan het hiervoor beschreven jong te zijn.                                 

Met de Mount Apo lori wordt steeds vaker en in groter wordende aantallen gebroed. Overal ter wereld zien we in de collecties van kwekers de in gevangenschap gefokte jongen. Het is te hopen dat deze soort in de komende jaren zeker is gesteld voor de avicultuur. Momenteel wordt van deze soort een studbook bijgehouden door het International Loriinae Society. De administratie is in handen van Rigina De Dios van de B.I.I. research en broedcentrale op de Filipijnen. Er mag worden aangenomen dat iedere in gevangenschap gekweekte Mount Apo lori al geregistreerd staat in een studbook. De toekomst voor de Mount Apo lori in gevangenschap ziet er dus hoopvol uit. Gelukkig maar want gezien de huidige ontwikkelingen is het zeer goed mogelijk dat de wilde populatie Mount Apo lori’s steeds meer in het gedrang komt door menselijke activiteiten in hun leefgebied.              

Door Roger Sweeny Engeland.
Overgenomen met toestemming uit Lori Journaal.

Deel 2.