Rosenberglori.

De Rosenberglori, Trichoglossus haematodus rosenbergii.

Door Jos Hubers, Nederland.


Inleiding
De eerste beschrijving (Schlegel) van deze vogel dateert uit 1871.
Tot voor kort was deze, in kleur zeer afwijkende, ondersoort bijna onbekend in avicultuur. De eerste vogels werden in Engeland tussen 1910 en 1927 ingevoerd maar hierover is verder niets bekend. In de dierentuin van Barcelona werden de eerste kweekresultaten behaald die resulteerden in drie jongen.
Eind jaren tachtig en begin jaren negentig is de Rosenberglori in zeer kleine aantallen in Europa, Zuid-Afrika en de U.S.A. ingevoerd.

Verspreiding
De Rosenberglori wordt gevonden op Biak (voorheen Mysore geheten) en Korrido, eilanden behorende tot Indonesië, gesitueerd ten noord-westen van Nieuw-Guinea in de Geeelvinkbaai. Op Japen, dat 50 km. van Biak af ligt, is deze ondersoort vreemd genoeg onbekend.
Volgens gegevens van “Birds International” (voormalig I.C.B.P.) wordt de vogel bedreigd in zijn voortbestaan. Aangezien de vogel nooit in grote aantallen gevangen is, komt de bedreiging vooral voort door biotoopvernietiging. Ook de andere, (onder andere de koningslori, Eos cyanogenia en de blauwneklori, Lorius lory cyanauchen) op Biak voorkomende, papegaaiachtigen worden als bedreigd beschouwd.

Beschrijving
Lengte ongeveer 28 cm.
Kleurbeschrijving: zie hiervoor de kleurenfoto. De Rosenberglori heeft een kleurenpatroon dat weinig variabel is. De borstbestreping kan soms wat zwaarder uitvallen. De meeste variabiliteit kan men vinden in de kleur en breedte van de nekband. De nekband diept zich bij de ene vogel wat meer uit dan bij de andere. De hoeveelheid rode veren kan behoorlijk verschillen. Er zijn vogels bekend waarbij de nekband doorspekt is met rode veren terwijl andere alleen het kenmerkende rode bandje tussen achterkop en nekband bezitten.
Een van mijn eerste nakweekvogels bezit een ongeveer 0,5 cm. breed bandje tussen de groene mantel en de nekband. Dit bandje ontwikkelde zich duidelijk zichtbaar na de eerste rui. De nekband van de Rosenberglori is niet geel maar meer naar de geelgroene kant, iets wat op de bijgaande foto niet goed tot uiting komt.
Op de kleurenfoto is duidelijk het verschil te zien tussen deze ondersoort en de nominaatvorm, de Groenneklori, Trichoglossus h.haematodus. Waarom deze vergelijking? In begin jaren tachtig is in Nederland een boekje over lori’s verschenen geschreven door de Hr. Beswerda. Vooral voor de beginnende liefhebber een geschikt boekje. In de behandeling van de groenneklori vermeldt de schrijver de Rosenberglori, hierbij schrijft hij dat tussen importzendingen van groenneklori’s soms Rosenberglori’s worden aangetroffen. Deze zouden over het hoofd worden gezien omdat ze alleen verschillen door het bezit van een smalle rode band tussen nekband en achterkop. Het zal iedereen duidelijk zijn dat het verschil meer is dan enkel dit rode bandje.

Voeding
Mijn Rosenberglori’s zijn vanaf dat ze geïmporteerd zijn, gevoerd met Aves Lori-Nektar. Wanneer er jongen zijn, vervang ik het door het eiwitrijkere Lori-Start. Als fruit krijgen ze zo nu en dan een stuk appel. Ook wilgentakken worden regelmatig in de kooi opgehangen.

De kweek
Zoals in de inleiding staat vermeld, werden de eerste Rosenberglori’s ongeveer 4 a 5 jaar geleden ingevoerd. Kleine aantallen werden, zover mij bekend, door 5 liefhebbers aangekocht.
In 1990 kreeg ik de mogelijkheid om 10 vogels te kopen. Na endoscopie bleken het 7 vrouwtjes en 3 mannetjes (allen jonge vogels) te zijn. In Engeland bleek Trevor Buckell 2 mannetjes te bezitten. Deze werden later aan mijn bestand toegevoegd. Helaas was een van de mannetjes een kort leven beschoren. Aan Trevor werden, in ruil voor de twee mannetjes, door mij 2 jonge onverwante paren beloofd. Op het ogenblik is hier voor 50% aan voldaan.
Door ruil en aankoop van een aantal eigen kweekvogels van een duitse liefhebber heb ik vijf paren compleet kunnen maken.
De kweekresultaten van mijn vogels zijn tot heden niet voor alle paren even positief uit gevallen.
Van twee paren zijn de mannetjes momenteel nog te jong, deze zullen hopelijk begin 1995 aanvangen.

Eind 1991 bemerkte ik een verhoogde activiteit bij één van de paren (paar 1). Er werd zeer veel gegraven en geknaagd aan de binnenzijde van de nestkast. Het duurde toen nog zo’n 3 weken voordat het eerste ei werd gelegd. Na 25 dagen kwam het eerste ei uit, de volgende dag gevolgd door het tweede. De beide jongen werden voorbeeldig gevoerd. Op een leeftijd van 12 dagen heb ik ze met een 6 mm. ring geringd. Toen ze ongeveer 4 weken oud waren en de eerste veren er goed door kwamen, begonnen de ouders de jongen te plukken. Aangezien ze het ook op de vleugels gemunt hadden, zag ik mij genoodzaakt om ze verder met de hand groot te brengen. Bij de volgende broedsels heb ik steeds de
jongen onder pleegouders kunnen leggen. Allerlei manieren om het plukken te stoppen haalde niets uit. Omdat ik de jongen vroegtijdig uit het nest haalde en het vrouwtje steeds binnen 3 à 4 weken tot eierleggen overging, heb ik ieder jaar de nestkast voor ongeveer 6 weken weggehaald. Op deze manier werden de vogels gedwongen te rusten. Tot eind 1993 waren er van dit koppel 10 jongen uitgevlogen. 1994 werd  voor paar 1 tot heden (begin oktober) vooral gekenmerkt door slechte resultaten. Eenmaal onbevruchte eieren, eenmaal twee jongen op een leeftijd van ongeveer 5 weken dood en recentelijk twee bevruchte eieren die op de dag van uitkomen allebei spoorloos verdwenen waren.
Paar 2 had in tegenstelling tot paar 1 meer moeite met de aanvang. Omstreeks april 1992 kreeg dit paar voor de eerste keer eieren die helaas onbevrucht bleken te zijn. In hetzelfde jaar werden nog twee legsels geproduceerd, waarvan het eerste legsel resulteerde in 1 jong op stok en het laatste legsel wederom 1 jong die echter op een leeftijd van 5 maanden overleed. Vanaf mei 1993 hebben ze het leven echter gebeterd en tot heden 9 jongen grootgebracht. Ook dit koppel plukt helaas de jongen. Het nest heb ik op de grond gezet en de bovenkant geopend, dat het plukken in alle gevallen tot heden stopte.
Van de twee andere paren die broedrijp waren, zijn de resultaten tot heden zeer mager te noemen. Paar 3, eenmaal 2 onbevruchte eieren en eenmaal 1 jong op stok. Paar 4 zeer recentelijk voor de eerste maal eieren die niet bevrucht waren.
In 1995 hoop ik jongen van meerdere bloedlijnen groot te krijgen. Met de nakweek die er in België en Duitsland aanwezig is, moet het mogelijk zijn om deze vogel te behouden, zowel in de vrije natuur als in avicultuur.


Literatuur
LOW. R. (1977): Lories and Lorikeets. Paul Elek limited

FORSHAW, J.M., & W.T. COOPER (1989): Parrots of the World, third edition, Melbourne

Kweekverslag.