De Meyerlori, Trichoglossus flavoviridus meyeri een twijfelachtige ondersoort.

Door Jos Hubers.

Inleiding:
Het is inmiddels al weer heel wat jaren geleden dat er iets over de Meyerslori is gepubliceerd. Een lori die mijn inziens ondergewaardeerd wordt. Ik kan mij nog levendig herinneren dat mij de Meyerlori jaren geleden werd ontraden  (net als de geelkoplori  Trichoglossus euteles omdat eventuele nakweek niet te verkopen was  of alleen tegen dumpprijzen. Gezien de interesse die over het algemeen niet groot was, liep het aantal Meyerlories in avicultuur sterk terug. Heden ten dage is de interesse weer sterk toegenomen en niet omdat Meyerlories nu zo prijzig zijn maar omdat het nu gewaardeerd  wordt zoals de vogel is; een mooi getekende rustige vogel  (momenteel moet je ze met een lantaarntje zoeken want er is praktisch niet aan te komen F.B.).

Beschrijving:

Lengte ongeveer 17 a 18 cm.
Gewicht 40 tot 50 gram waarbij de mannetjes meestal het zwaarst zijn.
De vogels zijn hoofdzakelijk groen gekleurd waarbij de voorkant geel is met groene zoompjes wat dus een schubeffect geeft. De zoompjes zijn het breedst op de borst en nemen naar beneden af. De bovenkant van de kop is olijfbruin waarbij het mannetje een meer geelgetint voorhoofd heeft. De ‘oorvlekken’ zijn geel (vaak bij de mannetjes het meest fel en uitgebreid), de wangen en de keel zijn zeer fijn geschubd met bruinachtig groen op een gelige ondergrond. De snavel is oranje en de iris oranjerood.

Zoals boven geschreven is, zijn er met enige moeite verschillen waar te nemen tussen volwassen mannetjes en vrouwtjes. Bij jonge vogels is dit in het algemeen nog gemakkelijker te zien, de jonge mannetjes zijn vaak veel geler op de kop, vaak van het voorhoofd tot aan de kruin toe. Jonge vrouwtjes hebben vaak alleen een gelig voorhoofd en zijn meer groen op het schedeldak. Na de rui verdwijnen de karakteristieke kenmerken weer. In het algemeen zijn jonge vogels nog niet zo duidelijk geschubd en zijn de kleuren minder diep. Zoals bij alle soorten lori’s met oranje tot oranjerode snavels hebben jongen korte tijd na het uitvliegen een bruinachtige snavel die al snel zal verkleuren. Rosemary Low schrijft hierover dat de verschillen die te zien zijn tussen mannetjes en vrouwtjes mogelijk afhankelijk zijn vanuit welke populatie ze uit het wild stammen. Ze kent vogels van populaties die afzonderlijk zijn ingevoerd en waarbij men bij de ene populatie nauwelijks verschillen ziet en bij anderen heel duidelijk. Indien dit zo is kunnen we er van uitgaan dat inmiddels de populaties door elkaar gekweekt zijn en men minder snel vogels zal vinden waarbij de geslachtsverschillen duidelijk te zien zijn.

Distributie en status:
De Meyerlori kunnen we vinden op Sulawesi (Celebes) in bergwouden tussen 500 en2000 meter. Waarschijnlijk komen of kwamen ze ook voor in de mangroves aan de kuststreek. Mivart (1896)  schrijft nl. dat de inwoners in die omgeving deze soort “Parkitji loraro”noemen waarbij “lolaro”slaat op de mangrovebossen. De Meyerlori  wordt vaak samen gezien met de ornaatlori Trichoglossus ornatus. Tot op zo’n kilometer hoogte worden ze vaak zij aan zij  waargenomen maar de ornaatlori wordt niet meer gezien op grotere hoogte. Door de goede camouflagekleuren kunnen ze gemakkelijk over het hoofd worden gezien. Gelukkig is de Meyerlori in de vrije natuur nog steeds algemeen en ziet het er naar uit dat ze voorlopig niet bedreigd zullen zijn. De status in avicultuur is minder positief. Het lijkt er op de aantallen in de laatste jaren steeds blijven teruglopen.

De praktijk:
Meyerlori s zijn gemakkelijk te houden en te kweken net zoals de meer gehouden viooltjeslori’s. Het zijn geschikte vogels om ook gehouden te worden door die liefhebbers die geen mogelijkheid hebben de vogels in volières te huisvesten. In een ruime broedkooi doen ze het uitstekend en in kolonie zijn ze ook wel te houden. Dit heeft een Duitse kweker bewezen met ongeveer 20 Meyerlori’s tezamen met 6 bloedvleklori’s Trichoglossus haematodus capistratus, die gehuisvest waren in een volière van ca 4 × 6 meter. Er waren vele nestkasten aangebracht met invlieggaten waar de grotere Bloedvleklori’s niet door heen gingen. Verder waren er veel takken aangebracht en zelfs levend groen. Ook kweekte hij nog met drie paren apart in broedkooien. De nestkasten die hij gebruikte waren van het rechte verticale type, ca  35 cm hoog met horizontale kleine latjes aan de binnenkant bevestigd om te zorgen  dat de vogels er gemakkelijk in en uit konden komen. Bij sommige vogels had hij een smal plankje die los in de nestkast was aangebracht en die vanuit een hoek bovenin schuin naar beneden naar de tegenovergestelde hoek liep. Op deze manier beschadigden de vogels de eieren niet met het naar binnen komen omdat de eitjes bebroed werden onder bescherming van het smalle stukje hout. In het West-Europese klimaat zijn ze broedrijp op een leeftijd van ongeveer een jaar. Het is voorstelbaar dat ze in een warmer klimaat al eerder tot broeden overgaan. De eerste Meyerlori’s kreeg ik in mijn bezit in 1989. Het waren jonge vogels van amper vier maanden oud. Nadat er een omgeruild was kon het feest beginnen. Het was in 1991 dat ze het eerste legsel produceerden die helaas onbevrucht waren. Nadien kwamen verschillende onbevruchte legsels waarna ik besloot om ze als pleegouders te gaan gebruiken. Op dat moment had ik ook een paar viooltjeslori’s Trichoglossus goldiei, die steeds de jongen in ernstige mate plukten. Op een gegeven moment hadden de viooltjes gelegd en beide eitjes waren bevrucht. Toen de viooltjes 19 dagen hadden gebroed legde de Meyerlori hun eerste ei. Ik heb het toen gewaagd om op dag 22 vlak nadat de Meyerlori’s het tweede eitje gelegd hadden de eitjes te wisselen. Op dag 24 hadden de Meyerlori’s het eerste jong. Ondanks dat ze maar 5 dagen gebroed hadden voerden ze het jong goed. Beide jonge viooltjeslori’s werden probleemloos grootgebracht. In een later stadium heb toch nog jongen gekweekt van dit paar Meyerlori’s. De nestkasten die ik gebruik zijn zoals ook bij mijn hangparkieten en andere kleine lori’s van het horizontale type. Ze zijn 25 cm. Lang, 17 cm. Hoog en 17 cm. diep met een invlieggat van 5 cm. doorsnede. Dit invlieggat is zo hoog en zoveel mogelijk op een hoek geplaatst. In de bodem die 2 cm. dik is heb ik een klein ondiep kuiltje gemaakt omdat sommige vogels de niet te stoppen neiging hebben bijna alle bodembedekking er uit te gooien. Uiteraard kan men ook L-vormige of andere type nestkasten gebruiken. Wanneer ze gelegd hebben bebroeden ze de eitjes ongeveer 23 a 24 dagen. De jongen waar we dan op hopen wegen ongeveer 4 gram bij hun geboorte en dragen primair dons dat lang en wit van kleur is. Na een kleine drie weken zijn ze mooi verpakt in grijs dons en zijn de eerste veertjes al in aan tocht. Ringen doe ik ze met 5 mm. Ringen wanneer de ogen opengaan wat na ongeveer twee weken gebeurd. Ik wil hierbij benadrukken dat we de jongen beslist moet ringen. In sommige landen is dit bijna wettelijk verplicht. Maar ook voor verdere administratie is het erg belangrijk. Bloedlijnen en geboortejaar zijn zo gemakkelijk te achterhalen. In diverse landen in Europa wordt dit nog nauwelijks gedaan terwijl het toch maar weinig moeite kost. In Duitsland bijvoorbeeld is het al erg moeilijk om een ongeringde vogel kwijt te raken of men moet originele invoercertificaten hebben. De autoriteiten daar hebben een strikte aanmeldingsplicht ingevoerd. Dit allemaal even terzijde. N ongeveer 8 weken vliegen de jongen uit en worden dan nog enkele weken bijgevoerd door de ouders, hoewel ze al binnen enkele dagen zelf voedsel beginnen op te nemen. Wat de voeding betreft zijn de Meyerlori’s niet veeleisend en ze doen het op menig dieet goed. Ik ken kwekers die goede resultaten behalen met de bekende commerciële voedingen als ook met eigen bewezen samenstellingen. Meyerlories kan men ook gekiemde zaden bijvoeren en ze eten ook graag wat zonnepitjes. Verder kan men groenvoer zoals vogelmuur proberen en fruit zoals appel. Badwater moet natuurlijk ook altijd ter beschikking staan. Dus hebt U nog een plaatsje vrij voor een paar kleine lories probeer dan een paar Meyerlories te bemachtigen, zal vast niet meevallen maar het is zeker de moeite waard.

Taxonomie:
De Meyerlori wordt gezien als een onder soort van de Trichoglossus flavoviridus. De geelgroene lori, Trichoglossus flavoviridus flavoviridus, is de enige andere ondersoort (de nominaatvorm) binnen deze soort. Sinds ik beide ondersoorten in mijn beziet heb (1991), heb ik altijd sterk getwijfeld over de rechtmatigheid van deze theorie. Als leek op het gebied van taxonomie , kan ik alleen maar oordelen over de verschillen die we aan de buitenkant zien. Hierbij valt op dat zowel gedrag als formaat  behoorlijk afwijkend zijn. De Meyerlori weegt zo’n  40 tot 50 gram, maar het gewicht van de geelgroene loopt uiteen van zo’n 80 tot 90 gram., maar het grootste verschil zit hem in het gedrag. De Meyerlori in een veel minder luidruchtige vogel en vooral minder agressief . De geelgroene kan zeer agressief reageren op eventuele nieuwe buren en blijft dit vaak zeer lang volhouden. Ook heb ik bij diverse paren geelgroene lories meegemaakt dat ze zeer agressief zijn ten opzichte van hun eigen jongen. Recentelijk had ik nog de  bodembedekking vervangen van een paar dat twee jongen had. Hoewel ik er bij bleef tot ze weer gekalmeerd waren hadden ze even later toch een jong doodgemaakt en de ander behoorlijk beschadigd. Gelukkig heeft het overgebleven jong het nog gered. Al deze gedragingen heb ik bij de Meyerlori nooit geconstateerd. Een soort die mijns inziens dichter bij de Meyerlori  staat is de Mount-Apolori, Trichoglossus johnstoniae. Deze soort lijkt in veel opzichten op de Meyerlori, zowel in gedrag, formaat (is ietsje groter)
als in tekening. Wanneer we van beiden de koppen wegdenken dan lijken ze sprekend op elkaar. Een aantal jaren geleden zijn de onderzoekers Sivley en Ahiquist  begonnen met onderzoeken waarbij door middel van DNA hybridisatie technieken  aangetoond kan worden hoe verwant bepaalde soorten aan elkaar zijn. Dit heeft er al toe geleid dat bepaalde groepen vogels geheel opnieuw ingedeeld moesten worden. Indien dit gedaan zou worden bij lori’s, zou het interessant zijn of er ook verschuivingen plaats zouden vinden in de lori/soorten.

Literatuur:
Beswerda F (1981); Lori’s, Zuidgroep BV Uitgevers.
Low R. (1998) Encyclopedia of the Lories, Hancock House Publishers.
Mivart G (1896) A Monograph of the Lories, R.H. Porter, Londen.

Kweekverslag.