Viooltjes lori deel 1.

Over de viooltjeslori, Trichoglossus goldiei, Sharpe Psitteuteles goldiei

Door Jürgen Bosch, Duitsland.
Met toestemming overgenomen uit Lori Journaal.


De viooltjeslori is een kleine, alleen in Nieuw Guinea voorkomende lori met een tamelijk onzekere taxonomie. Ook ik geloof dat het verzamelgeslacht Trichoglossus, zie Forshaw (1989), weer herzien moet worden. Hiermee moet echter gewacht worden tot de hele onderfamilie Loriinae opnieuw onderzocht is. Het zou nog slechter zijn om de Trichoglossus goldiei met de Psitteuteles versicolor en Trichoglossus iris in één geslacht, Psitteuteles, samen te vatten. (Sibley & Monroe, 1990).
Hoewel overwegend groen gekleurd, maakt die druppeltekening op de groene ondergrond, de violette wangen, en een helrode schedel hem tot een mooie en aparte verschijning. De grijze poten, de zwarte snavel en de donkerbruine ogen kan men, evenals de vale gele band op de ondervleugel, als een oorspronkelijk kenmerk beschouwen. De vogels hebben een gemiddelde lengte van ca. 20 cm. en wegen 55 – 65 gram. Uiterlijke geslachtskenmerken vallen nauwelijks op. Ze zijn echter wel voorhanden. Volwassen mannetjes zijn gemiddeld genomen zwaarder en groter en hebben meer rood op de schedel dan de vrouwtjes. Jonge vogels van beide geslachten hebben in het begin weinig rood, voor de rest zijn ze gelijk aan de ouders.

De Viooltjeslori is een vogel van het bergwoud. Zijn verspreidingsgebied strekt zich uit over de centrale bergketen. Deze kleine lori’s worden het meest waargenomen op een gemiddelde hoogte van 1500 tot 2300 m. Het is geen zeldzaam voorkomende vogel. De viooltjeslori’s schijnen de veldornithologen alleen op te vallen wanneer ze buiten de broedtijd in grote nomadische zwermen rondtrekken. Meestal zwerven ze rond in gezelschap van andere bloembezoekende vogels. Forshaw (1989) zag ze samen met Musschenbroeklori’s, Neopsittacus musschenbroekii, in een gedeeltelijke aangetast Nothofagus-Podocarpus-woud in het Hagen-gebergte op een hoogte van 2800 m. In een lichte regenbui “baden” de vogels op de bovenste kale takken van de bomen. Bij het wegvliegen laten ze zich onmiddellijk loodrecht naar beneden vallen om daarna pijlsnel in de verdere vlucht hoogte te winnen. In de stad Goroka, midden in het centrale hoogland van Papua Nieuw-Guinea, zou volgens Coates (1985) een grote groep viooltjesloris leven. In tegenstelling tot de echte bergvogels als Stellalori’s, Charmosyna papou, en Arfaklori’s, Oreopsittacus arfaki, trekken de viooltjeslori’s van de hoogste naar de laagste regionen. Zo werden ze bv. meerdere malen in de omgeving van Port Moresby op zeeniveau gezien (Forshaw 1978). Beehler et al. (1986) berichtte van zwermen, die iedere morgen van grote hoogte het gebied van het laagland introkken en de Lakekamu rivier overvlogen. Vermoedelijk hadden ze als doel een voedselgebied in het oosten. s’Avonds trokken waarschijnlijk dezelfde vogels uit het gebied terug om vermoedelijk hun slaapplaatsen op te zoeken. Met de regenbooglori (Trichoglossus heamatodes), en de witruglori (Pseudeos fuscata) is T. goldiei de meest voorkomende, rondzwervende, gezelligste Papuase papagaai. Men begrijpt daarom niet waarom deze ecologische aanpassingsgeschikte soort, het achteraf liggende gebergte op het Huon-schiereiland, de Vogelkop en de noordelijke kustgebergte niet heeft bereikt. Ondertussen heeft Coates (1985) ook viooltjeslori’s waargenomen in het Huon gebergte. De meeste andere bergvogels van Nieuw Guinea zijn daar met eigen ondersoorten vertegenwoordigd, die ze zelf hebben ontwikkeld door isolatie na de laatste ijstijd. De viooltjeslori heeft vanwege de onafgebroken vermenging in hun mobiel samenhangende populatie geen van zulke ondersoorten voortgebracht. De vogels verspreiden zich veel meer gelijkmatig over het gebied.

Nieuwe gedetailleerde informatie over de levensgewoonte van deze vogel vanuit de natuur is niet voorhanden. Daarom is men op overeenstemmende conclusies van gevangenschapsobserveringen aangewezen. Hun krachtige gedrongen snavel geeft aan dat de “Viooltjes” bij gebrek aan stuifmeel en nectar op vruchten en zaden over kunnen gaan. Bij mij nemen ze ook halfrijpe onkruidzaden, geweekte en gekiemde zonnenbloempitten, mungobonen en met bijzondere voorliefde meelwormen en de poppen hiervan. Minutenlang kunnen ze dit voedsel zeer goed, in tegenstelling tot nektarspecalisten, in hun poot houden. Verscheidene vruchten en groene plantendelen eten ze, zoals de meeste lorisoorten, door uitpersen met de snavel. Bast en verse twijgen van loof- en naaldbomen worden graag en langdurig beknaagd en misschien ook gegeten. Tijdens het drinken van de “lorisoep” gebruiken ze alleen hun tong. De snavel komt echter niet in de pap. De voederplaats blijft daarom veel schoner dan bij de Charmosyna-soorten, die na elke hap de druppels pap van hun snavel afschudden. Zoals alle lori’s baden viooltjeslori’s graag, zowel in de regen als in een badschaal. Lori’s hebben de gewoonte om hun veren met sap van plantendelen in te smeren. Dit gedrag heb ik bij de viooltjeslori’s echter nog nooit waargenomen. De kans dat viooltjeslori’s deze en andere gedragingen in gevangenschap niet of alleen af en toe laten zien, ligt waarschijnelijk aan hun merkwaardige schuchterheid. Zelfs de tamste vogel kan zich wat schuchter gedragen en men heeft de indruk dat alle gedragsuitingen, met uitzondering van de aktiefste, rustiger en verborgen worden als bij de agressievere en brutalere familieleden. Zo heeft het maanden geduurd voordat ik voor het eerst het sissen hoorde, welke het baltsritueel begeleidt. De echte Trichoglossus en Charmosyna-soorten bijv. voeren zulke begroetings- en baltsrituelen dagelijks vele malen uit. Over in gevangenschap behaalde broedresultaten werden enige malen artikelen geschreven (Kührer 1981, Burkard 1981, Merck 1983), zoals vaak, met weinig informatie. Helaas is ook hier alleen plaats voor de belangrijkste gegevens, die uit mijn ervaringen met verschillende broedsels komen. T. goldiei behoort tot de soorten waarvan alleen het vrouwtje broedt. Het mannetje neemt het voeren op zich, en omdat hij in avicultuur niet veel te doen heeft zit hij vaak in het vlieggat van de nestkast. De beide eieren worden met een onderbreking van twee dagen gelegd. De doorsnede van de vier eieren bedroegen 23,0 x 19,8 mm (max. 23,5 x 20,0 mm), het gewicht schommelde tussen 4,5 en 4,7 g. (zie daarvoor ook Walters 1984). Viooltjeslori’s zijn snelle broeders, de broedtijd bedraagt rond 23 dagen. De jongen hebben eerst primaire witte dons, en krijgen later grijs dons. Na vier weken bereiken ze hun maximale gewicht van 60 – 70 g. Als ze twee maanden oud zijn vliegen ze uit en wegen wat minder dan de volwassen vogels. Anders dan de ouders zijn de jonge vogels erg speels en men ziet ze dan ook vaak ondersteboven aan een tak of twijg hangen.        
Een merkwaardigheid die ik niet had verwacht bij mijn viooltjeslori’s is dat ze meerdere keren als een trio, bestaande uit twee vrouwtjes en een mannetje jongen groot hebben gebracht. Vermoedelijk waren de twee vrouwtjes zusters of kende ze elkaar van jongs af aan. De vogels waren buiten de broedtijd erg verdraagzaam. In het begin van de broedtijd verzorgde het mannetje altijd één van de vrouwtjes die hij ook trouw bleef. De eieren van het tweede vrouwtje waren regelmatig onbevrucht.
Ook de verhouding tussen beide vrouwtjes bekoelde aanmerkelijk en ze hadden regelmatig wat ruzie over de plaats in de nestkast. Na het uitkomen van de eieren werden de jonge vogels door alle drie verzorgd en was de eenheid meestal weer hersteld. Ik kon de twee vrouwtjes niet goed onderscheiden en sluit niet uit dat het mannetje minstens eenmaal met zijn favoriete vrouwtje had gewisseld. Dit geval moet men niet zien alsof viooltjeslori’s alles maar accepteren. Het is niet aan te bevelen volwassen viooltjeslori’s permanent in een grote groep te houden ook al heeft men niet de bedoeling er mee te kweken zoals Burkard (1981) deed. Zelfs wanneer in zéér grote volières enige jongen kunnen gedijen, overleven ze dit op lange termijn niet. Zwakke en onervaren vogels worden vaak het slachtoffer van andere vogels waardoor zij op den duur het leven zullen laten. Eenmaal kon ik zo’n ongeluksvogel nog redden, hoewel de vogel bloedend en al halfdood op de grond lag werd het nog steeds gebeten door de aanvallers. Later bleek dat een stuk van de snavel er af gebeten was en de bovenpoot doorgebeten. Na enige tijd heb ik toch besloten om de vogel uit zijn leiden te verlossen en het drama beeindigt.

Viooltjeslori’s zijn, zover ze in de bergen leven, lage nachttemperaturen gewoon. Zodoende maakt het hen niets uit wanneer de temperatuur in de nacht tot zo’n 10 – 5 C zakt. Als men echter de vogels zonder verwarming in de Europese winter houdt dan is dit dierkwellerij en duidt het op een lichtzinnige omgang met de dieren die aan ons zijn overgelevert. Anders is het wanneer de vogels vanuit een verwarmde binnenruimte vrijwillig de buitenvolière kunnen opzoeken. Op deze manier ondergebracht zullen ze beter gedijen dan altijd opgesloten in een binnenruimte. Hun algemene robuustheid mag ons als liefhebber niet toe verleiden hun een mindere verzorging te geven, daarvoor zijn ze te belangrijk.

Literatuur
BEEHLER, B. M., T. K. PRATT & D. A. ZIMMERMAN (1986): Birds of New Guinea. Princeton.
BURKARD, R. (1981): Von einigen seltener Psittaciden und Prachtfinken. Gef. Welt 105: 1-2
FORSHAW, J. M. (1989): Parrots of the World. Weldon Publishing, Willoughby NSW, Australia.
HOMBERGER, D. G. (1980): Funktionell-morphologische Untersuchungen zur Radiation der Ernährungs- und Trinkmethoden der Papageien (Psittaci). Bonn. zool. Monogr., Nr. 13.
KÜHRER, K. (1981): Gelungene Zucht beim Veilchenlori (Psitteuteles). Gef. Welt 105: 2-3.
MERCK, W. (1983): Keeping and breeding Goldie’s Lorikeet. Avicult. Mag. 89: 69-70.
SERPELL, J. (1981): Duets, greetings and triumph ceremonies: Analogous displays in the genus Trichoglossus. Z. Tierpsychol. 55: 268-283.
WALTERS, M. (1984): Description of the eggs of two lories previously undescribed. Bull. Brit. Orn. Cl. 104: 196.
COATES, B. J. (1985): The birds of Papua New Guinea. Vol. 1. Alderly, Qld.
SIBLEY, C. G. & B. L. Monroe, jr. (1990): Distribution and taxanomy of birds of the world.

Deel 2.