Ervaringen met de Geelmantellori deel 1.

Mijn ervaringen met de Geelmantel of Molukkenlori,
(Lorius garrulus flavopaliatus).

Het is al weer meer dan 40 jaar geleden dat ik voor het eerst in het bezit kwam van m’n eerste lori. Dit was een Geelmantel lori ofwel een Molukken lori. Deze vogel zag ik bij iemand die uit Australie terug naar Nederland was gekomen en de vogel in een papagaaienkooi in de kamer had zitten. Deze vogel had dus al een hele reis gemaakt, eerst van z’n geboorteland de Molukken naar Australie en toen naar Nederland. Ik wist in eerste instantie eigenlijk niet eens wat voor soort vogel het was want in die tijd waren lori’s nog geen algemeen voorkomende vogels bij ons in de volieres. Wat ik wel direct wist, was dat ik mij gelijk voornam om te proberen deze prachtige vogel in mijn bezit te krijgen, wat mij uiteindelijk na een aantal weken praten en aandringen (zeg maar doordrammen), uiteindelijk ook gelukte.Toen had ik dus 1 vogel wat volgens de vorige eigenaar een man was, wat natuurlijk nog niet eens vaststond aangezien  tussen de geslachten van deze vogels uiterlijk totaal geen verschil te zien is en omdat ik van mening ben dat alleen ook maar alleen is besloot ik natuurlijk om te proberen er een pop bij te krijgen. Dit lukte pas na ruim een jaar. Deze tweede vogel kon ik kopen bij Animali in Eindhoven (kosten Fl.75,00)!!!!.Nadat ik de vogels bij elkaar had gezet in een voliere van 4 m. lang, 2 m. hoog en 1 m. breed, gedroegen ze zich na een paar dagen reeds als een paartje. Ze poetsten elkaars veren en wat vooral opviel was hun speelse gedrag, ze haalden de gekste capriolen uit. Ze hingen naast elkaar aan 1 poot aan een tak,terwijl ze elkaar met de andere poot vasthielden en ze dan in een hevig schijngevecht verwikkeld waren. Een prachtig gezicht om naar te kijken.

De man was toen ik hem kreeg volledig handtam en kon zelfs een behoorlijk aantal woorden zeer duidelijk spreken, maar dit was in het engels, wat ik zelf slecht kon verstaan, tevens kon hij heel mooi fluiten, vooral als er dames in de buurt van de van de voliere kwamen. Ook de pop werd na een vrij korte tijd behoorlijk tam en ze kwamen dan ook gelijk naar het gaas als ik met een stukje fruit of een andere lekkernij voor ze bij de voliere kwam. Ze namen het dan zo uit de hand maar wel nadat ze het eerst even met hun tong hadden onderzocht. Ik kon dan ook mooi hun tong bekijken waaraan zich aan het uiteinde als het ware een kwastje bevindt. Verder was de tong geheel bezet met zogenaamde pappillen die ze tijdens het eten overeind kunnen zetten zodat ze het voedsel enigzins fijn kunnen drukken voordat ze het doorslikken. Hieraan hebben lori’s ook wel hun naam van penseeltongpapagaaien te danken. Na een paar weken nam ik reeds de eerste paring waar, waarbij bleek dat de vogel die ik als man had gekocht ook inderdaad deze rol vervulde. Er was mij trouwens nog iets bijzonders aan deze vogels opgevallen wat ik toen heel bijzonder vond. Ze sliepen n.l. s’nachts niet op een stok maar lagen met z’n beiden in het nachthok in een hoekje op de grond te slapen. Wist ik toen veel dat lori’s het hele jaar een broedblok tot hun beschikking moesten hebben om dat ze daar altijd in slapen. Nadat ik dus verschillende paringen had waargenomen vond ik het tijd worden om de vogels een broedblok te geven welke in het nachthok werd opgehangen. Tot mijn verbazing werd dit blok met de volgende maten, hoog 60 cm., 30 cm. breed en diep, onmiddelijk door de vogels in gebruik genomen. Zowel de man als de pop inspecteerden het blok uitgebreid en gingen er de eerste nacht dat het er hing direct in slapen. Aangezien ik deze gewoonte dus niet kende was ik van mening dat ze misschien wel  snel zouden gaan broeden maar dit bleek nog lang niet het geval te zijn. Mijn geduld werd nog ruim een half jaar op de proef geseld en toen werd ik er op een zeer onprettige manier op geattendeerd dat er wel eens gezinsuitbreiding op komst kon zijn. Wat was na,melijk het geval, zoals ik hierboven reeds meldde waren beide vogels volledig tam. Ook als ik in de voliere kwam aten ze iets lekkers gewoon uit mijn hand. De man zat dan meestal op mijn arm of schouder terwijl de pop toch nog wel iets schuchterder was. Maar op een gegeven moment toen ik weer eens de voliere betrad om de waterbak schoon te maken en van schoon water te voorzien, (lori’s zijn namelijk enorme liefhebbers van baden), kwam de man luid krijsend op mij afvliegen en voor ik het kon voorkomen had ik een paar flinke beten te pakken zowel aan mijn hals als aan mijn arm. U kunt zich voorstellen dat ik behoorlijk schrok omdat ik totaal niet in de gaten had wat er aan de hand was. Het waren altijd zulke lieve tamme vogels. Pas na enige tijd viel het mij echter op dat ik de pop niet gezien had en nog steeds niet zag.

Dus maar eens in het nachthok gekeken maar daar was ze ook niet te zien. Wel hing de man daar alweer zeer krijgshaftig en luid krijsend aan het gaas op mij te wachten. Nadat ik de man  met veel moeite met een schepnet en een lege emmer naar buiten had gejaagd heb ik maar eens in het broedblok gekeken en daar bleek tot mijn verbazing en blijdschap een mooi wit ei te liggen. Ik heb het blok maar snel terug gehangen want ook de pop begon behoorlijk te blazen en agressief te doen alhoewel niet zo erg als de man.  Vanaf die dag was was het ieder dag een strijd als ik de vogels voer of water moest geven. De man zat mij al op te wachten als ik de voliere maar tot op een paar meter naderde. Ik moest steeds het schepnet bij mij hebben als ik in de voliere wilde want daar had hij nog wel enig respect voor. Ik durfde voorlopig niet meer in het nestblok te kijken zowel om bovengenoemde reden maar ook om de vogels niet te veel te storen, dus was het afwachten geblazen. Het was zo’n 4 weken later dat ik ineens gepiep hoorde in het blok. Toen won de nieuwsgierigheid het toch wel een beetje van de angst. Dus weer met het schepnet gewapend het nachthok in waar een zo mogelijk nog agressievere man mij alweer zat op te wachten. Na een behoorlijke strijd kon ik dan eindelijk in het broedblok kijken waar tot mijn grote blijdschap twee witte donzen balletjes druk lagen te bewegen. Nu kwam echter de vraag wat voor opfokvoer hadden de vogels nodig om hun jongen groot te brengen want ook wat de voeding van lori’s betreft was er in die tijd nauwelijks iets bekend. Ik voerde de ouders toendertijd gekookte rijst met honing, veel fruit en groenvoer, vooral andijvie, hier waren ze verzot op. Dit recept had ik van de dierentuin in Wassenaar gekregen want ik wist dat ze daar toen een aardige kollectie lori’s hadden. Dus nogmaals met de heer Louwman in Wassenaar gebeld die mij adviseerde om maar met het normale voer door te gaan wat inderdaad ook voldoende bleek te zijn.  De jongen groeiden naar mijn mening wel vrij langzaam en het duurde toch wel zo’n 8 weken voor ze uitvlogen. Maar toen leken ook al veel op de ouders, alleen de snavels waren nog bijna zwart inplaats van oranje en de rode kleur was nog wat fletser. Na het uitvliegen werden de jongen nog geruime tijd door beide ouders gevoerd voor ze geheel zelfstandig waren. Wat ik echter het mooiste vond was dat toen de jongen bij de ouders weg waren deze van de een op de andere dag weer geheel tam waren. Ze gedroegen zich weer als voorheen en deden of er niets gebeurd was. Tot zover mijn ervaringen met deze schitterende vogels welke na dit eerste sucses jaren achter elkaar meestal twee nestjes van twee jongen grootbrachten, we weten nu trouwens wel dat de meeste lori’s zelden meer dan twee eieren per broedsel leggen.

Fokke Beswerda.

Deel 2.