Obi lori deel 1.

De Obi lori, Eos squamata obiensis.

Door Pat en Jim Taylor, Canada.
Met toestemming overgenomen uit Lori Journaal.

In januari 1993 kochten we van een liefhebber in het oosten twee paar violetnek lori’s, Eos squamata; een paar voor ons zelf en een paar voor een vriend van ons in Vancouver. Ieder paar werd ondergebracht in een aparte quarantainekooi van geverfd triplex, met de afmetingen: 60 cm lang, 45 cm breed en 90 cm hoog, die in mijn kantoor werden opgesteld. Aan de kooien werden aan de buitenkant nestkasten gemonteerd met de afmetingen: 15 cm bij 15 cm (bodem) en 20 cm hoog. Bij een nauwkeurige observatie bleek één van de vrouwelijke dieren de typische kenmerken van een violetnek lori te hebben; de andere drie dieren bezaten geen violet in de nek of op de kop. Bij navraag deelde de verkoper ons mee dat het om geïmporteerde wildvang vogels ging van ongeveer drie jaar oud. Een van de originele poppen was overleden en vervangen door een nakweek. Dit was de vogel met de violet kleuren op kop en in de nek. We hebben daar verder geen aandacht meer aan geschonken.

We zouden ze ongeveer 60 dagen in quarantaine houden om ze daarna over- te brengen naar een volière om er mee te gaan kweken. Echter na vier weken in quarantaine ging het paar, dat gelijk getekend was, in het nest en er werden twee eieren gelegd. Na een probleemloze broedtijd van 26 dagen kwamen de jongen uit, waarna de ouders weigerden om de jongen te voeren. Helaas hebben we dit te laat ontdekt en waren de jongen reeds overleden. We zijn toen een nieuwe kooi gaan bouwen, maar voor we ze over konden brengen begonnen ze weer te nestelen. Het paar dat verschillend getekend was hebben we toen naar Vancouver gestuurd. Ik zag toevallig een artikel, met een kleurenfoto, over de Obi lori in “Cage and Aviary”. Het mysterie was opgelost, onze vogels waren Obi lori’s, Eos squamata obiensis. Ik heb toen een foto naar Jan Roger van Oosten in Seattle gestuurd en hij bevestigde dat het Obi lori’s waren. We zijn op zoek gegaan naar meer Obi’s, en ontdekten dat ze een niet veel voorkomende ondersoort zijn in Noord-Amerika. We hebben slechts 8 paren kunnen lokaliseren, ons paar was het enige in Canada.

De Obi lori is 22 cm groot en weegt ongeveer 90 gram.
Deze lori vindt zijn domicilie op het eiland Obi, wat weer bij de Molukken hoort en zich ten westen van New Guinea bevindt. Een groot aantal ornithologen is de mening toegedaan dat de Obi lori een ondersoort van de violetnek lori is. De kop, borst, rug en nek zijn vuurrood, de poten en flanken zijn scharlakenrood en op de vleugels vinden we zwarte veren tussen het rood. De buik is donkerpaars, de staart is bruinachtig rood, de ogen zijn bruin en de snavel is oranjekleurig. Het verschil tussen de Obi lori en de violetnek lori is dat de schouder zwart is, er zit minder of geen violet op de kop of nek en er zijn geen vermengde of verlopen kleuren. Ook is de Obi lori wat kleiner. Onvolwassen vogels vertonen grote plekken violet op kop, buik en nek. Deze verdwijnen na verloop van tijd en de rijke paarse kleur op de buik komt dan naar voren.

Ondertussen moesten we het probleem van niet voeren door de ouders nog oplossen. Nu had één van onze blauwgestreepte lori’s, Eos reticulata, genaamd “Bandit”, twee onbevruchte eieren gelegd op hetzelfde moment als de Obi’s. Dit zesjarige vrouwtje wilden we aan ons 1,5 jaar oude  mannetje koppelen. Dit was allemaal voor we wisten hoe moeilijk het is om een ouder vrouwtje aan een jongere man te koppelen. Nadat “Bandit” gelegd had raakte het mannetje enigszins van de wijs, en plukte zich daarop ernstig. We hebben ze toen uit elkaar gehaald en een van de eieren met die van de Obi lori verwisseld. “Bandit” bebroedde dit half zo grote ei goed tot het uit kwam. De Obi’s doodden het jong; het was dus een goede zet geweest om een ei om te wisselen.

“Bandit” was aanvankelijk onzeker wat te doen met dit erg kleine jong (haar eerste), zodat we het jong in het begin met een spuitje in het nest hebben gevoerd. Natuurlijk kwam het jong beide keren dat we het gevoerd hadden onder het voer te zitten. Dit scheen “Bandit” wel te stimuleren, want al snel begon zij ook te voeren. Alles verliep prima, totdat “Bandit” na vier weken niet meer voerde en we het jong dus verder met de hand hebben grootgebracht. Na tien weken begon het jong te vliegen maar stierf helaas in de twaalfde week.
We hoorden toen van vele kanten dat lori’s, wanneer de jongen erg van kleur en formaat verschillen, moeite hebben om de jongen te accepteren.
Omdat de Obi lori zo zeldzaam is in Noord Amerika, waren we erg trots op “Bandit”. Doordat ze nu wist hoe ze moest broeden en een jong voe-ren, hoopten we dat ze haar partner nu ook beter accepteerde. Dit was echter niet zo. Toen ze weer herenigd werden wilden ze niets van elkaar weten zodat we ze weer uit elkaar hebben gehaald.

Hierop werden er door “Bandit” direct weer twee eieren gelegd, op vrijwel dezelfde dag als de Obi’s. Deze keer hebben we beide eieren bij “Bandit” ondergelegd, en die heeft ze 25 dagen bebroed totdat de jongen uitkwamen. De jongen werden zonder probleem direct gevoerd, maar het ene jong groeide niet en is gestorven. Ik was niet in staat het zelf te voeren, omdat in mijn hand in het gips had. Het andere jong groeide voortref-felijk, en woont nu in onze eetkamer, waar we ook nog een mannelijke Obi lori hebben.

Omdat de blauwgestreepte lori ook niet veel voorkomt, hebben we “Band-it” met “Spike” gekoppeld, de jongere broer van de andere mannelijke blauwgestreepte lori. “Spike” was mijn persoonlijke huisdier, maar werd te agressief toen hij ouder werd. Het paar kon goed met elkaar overweg, maar “Spike” moest eerst nog wennen aan het leven met een partner. Zo kwam het dat “Bandit” nog eens twee onbevruchte eieren legde. Weer hebben we ze met twee Obi eieren omgeruild en ze werden goed bebroed. Het ene ei verdween en het andere ei werd kapot in het nest gevonden; het nest was totaal verwoest en het kuiken was dood. We verdenken “Spike” hiervan, dus bij een volgend legsel zullen we hem in een andere kooi moeten onder brengen.

Het paar Obi lori’s is momenteel in een volière met een binnen- en een buitenverblijf ondergebracht. De buitenren is 2 m. lang, 1 m. breed en 3 m. hoog en voorzien van gaas met een maaswijdte van 2,5 cm. Het is overdekt met transparant fiberglas. Het binnenverblijf is 0,5 m. lang, 0,5 m. breed en 1,5 m. hoog en gemaakt van geschilderd multiplex dat gemonteerd is op een kunststof badkuip. Aan de zijkant werd een L-vormige nestkast gemonteerd van 40 cm bij 20 cm. De nestkast is gemaakt van 12 mm dik multiplex. Hiervoor werden twee panelen van 40 cm bij 40 cm genomen waarvan in een hoek een stuk van 20 x 20 cm werd verwijderd, waardoor een schacht ontstaat van 20 x 20 cm, die naar het nest van 40 x 20 cm leidt. De eieren worden in het ondiepe uiteinde van het nest gelegd waardoor het niet mogelijk is dat de vogels bij het binnenkomen van het nest op de eieren springen. Zo kan de pop ook de man bij de eieren weg houden als deze in het nest is. We hopen dat de vogels door dit nieuwe onderkomen worden gestimuleerd om hun jongen te voeren.
Lori’s zijn vruchten en nectar etende vogels, wat betekent dat de voeding moeilijker samen te stellen is dan van zaadetende vogels. We voeren twee keer per dag, en verstrekken zowel nectar als fruit en groente. Later zijn we gaan experimenteren met Hagan fruit cocktail pillen. Sommige vogels eten ervan, terwijl anderen de bak direct omgooien. We gebruiken het als reservevoer tijdens de winter omdat de pillen niet bevriezen.

Ons nectarvoer wordt samengesteld uit: mout, suikerstroop, wortels, appel, banaan, kalk, vitamines, Avico lori life (of een ander droogvoer) en baby voeding (fruit en groente).

Het hoofdvoer bestaat uit: een mix van fruit en groente met vitaminen en kalk. Dit wordt gemixed met stukken fruit, maïs, bonen, wortel, zoete aardappel, appel, banaan, sinaasappel, perzik, bieten, spinazie en baby voeding of tropical pillen. Het wordt in porties ingevroren. Elk portie is voldoende voor een dag.

‘s Morgens wordt in een bak het nectarvoer gegeven en in een andere bak groente en fruit (al naar gelang er te krijgen is). Stukjes appel, maïs, sinaasappel en overrijpe bananen worden in de buitenren gegeven. ‘s Avonds geven we nectar en lori life nectar. De voerbakken zijn van geringe afmetingen om te voorkomen dat er veel gemorst wordt. Ze zijn aan de voorzijde gemonteerd, hoog genoeg om te voorkomen dat ze met afval besmeurd worden. We hebben ook droogvoer geprobeerd, maar ik ben er nog niet zeker van of dit ook op langere termijn goed is.

Momenteel zijn we op zoek naar mensen die jonge Obi lori’s hebben, zodat we kunnen ruilen. Maar zoals met alle zeldzamere soorten is dit niet gemakkelijk.

Naar deel 2.