De Meyerlori

Meyer lori.
(Trichoglossus flavoviridis meijerii).
Duits: Meijer’s Gelbgruner Lori.
Engels: Meyers Lorikeet.
Frans: Loriquet ecaileux de Meyer.
Herkomst: Celebes.
Totale lengte: 18 cm.
Ringmaat: 5 mm.
Gewicht: 55/60 gram.
Broedduur 21/22 dagen.
Jongen uit nest na 60 dagen.

Uiterlijk: Rug en vleugels donkergroen met hier en daar enige gele vlekjes, kop bruinzwart met gele wangvlekken, borst en buik geheel geelgroen geschubd, snavel oranje, poten grijs.


Deze kleine lori komt in de vrije natuur voor in groepen van soms wel dertig tot vijftig stuks, vaak in gezelschap van ornaatlori’s. Ze leven vooral op begroeide berghellingen tot op een hoogte van soms wel 2000 meter. Het zijn op het eerste gezicht vrij onopvallend gekleurde vogeltjes, maar bij nadere beschouwing valt dit enorm mee. Vooral als ze in een goede conditie zijn ,steken bij volwassen vogels de geelgeschubde borst en de gele wangvlekken fraai af tegen het donkergroen van de rest van het lichaam. Het is een lorisoort die vrij zelden wordt aangeboden dit in tegenstelling tot een aantal jaren geleden maar toen werden ze ook veel meer geïmporteerd. Toch zijn ze de aanschaf en het houden dubbel en dwars waard, aangezien het in de voliere zeer prettige en levendige vogeltjes zijn die vrij weinig ruimte vragen en tevens weinig geluid maken. Ze kunnen heel goed in een ruime kooi van 1 m. hoog, 1 m. breed en 60 cm. diep gehouden worden en hierin zullen ze ook vrij gemakkelijk tot broeden overgaan. De eerste keer dat ik deze kleine lori’s te zien kreeg was in november 1979. Ik werd door een importeur, waar ik wel vaker lori’s van kocht opgebeld met de mededeling dat hij een soort kleine lori’s had binnengekregen die hij nog niet eerde gezien had en hij vroeg of ik hierin geïnteresseerd was. Dit was uiteraard niet tegen dovemansoren gezegd. Hij had er tien stuks van binnengekregen, maar tijdens de quarantaineperiode waren er al vier doodgegaan, dus dit leek niet erg hoopvol.

Toch heb ik het risico genomen en de overgebleven zes stuks gekocht, die er bij aankomst doodziek uitzagen en broodmager waren. Het gevolg was dan ook dat er de eerste dag bij mij al 1 doodging, de volgende morgen gevolgd door nummer twee. Toen er de volgende dag weer een dood lag en de vierde in elkaar gedoken in de hoek van de kooi zat, had ik niet veel hoop meer dat er wat zou blijven leven, temeer omdat ze praktisch niets wilden eten. Van alle soorten voer die ik ze voorzette werd alleen wat honingwater, waar wat multivitamine en enige druppels antibiotica (Vibramicyne) doorheen gemengd waren gedronken. Toen ik echter ten einde raad de vogel die op de bodem van de kooi zat apart zette in een tentoonstellingskooi waar toevallig nog enige zonnepitten op de bodem lagen begon hij daarvan meteen te eten.
Ik heb toen gelijk ook de andere twee wat zonnepitten op de bodem van de kooi gestrooid en ook deze begonnen er gelijk van te eten. Vanaf die dag knapten ze alle drie zienderogen op en ze begonnen toen ook ander voer zoals fruit en loripap te eten. Deze lori’s kregen toen iedere dag, naast hun loripap een klein bakje zonnepitten met wat hennep en trosgierst waarop ze het jaren lang prima hebben volgehouden. Toen ze  na enige tijd in de rui vielen bleek dat ik twee mannen en 1 popje had overgehouden het geslachtsonderscheid is namelijk vrij goed te zien, de kop van de man is namelijk veel donkerder gekleurd en de gele wangvlek is veel helderder dan bij de pop.

Meer info.

Kweekverslag.

error: Content is protected !!